<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:media="http://search.yahoo.com/mrss/"
	>

<channel>
	<title>VIRUS</title>
	<link>https://virusverhalen.nl</link>
	<description>VIRUS</description>
	<pubDate>Mon, 29 Jun 2020 10:49:18 +0000</pubDate>
	<generator>https://virusverhalen.nl</generator>
	<language>en</language>
	
		
	<item>
		<title>Gitka</title>
				
		<link>http://virusverhalen.nl/Gitka</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Mon, 29 Jun 2020 10:49:18 +0000</pubDate>

		<dc:creator>VIRUS</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">372656</guid>

		<description>


  window.dataLayer = window.dataLayer &#124;&#124; [];
  function gtag(){dataLayer.push(arguments);}
  gtag('js', new Date());

  gtag('config', 'UA-160625483-1');


←

Nooit meer alleenGitka te Poel
Ik ben erachter gekomen dat ik mijn gedachtes grotendeels kan omleiden. Ik hoef alleen maar een barricade op te werpen. Een wegopbreking, een optocht of een demonstratie. Iets waardoor ik het gas los laat, terugschakel en het stuur omgooi. De navigatiestem die me hardnekkig maant om te keren, negeer ik. 
 
De eerste keer dat dit me lukte was ik twaalf jaar oud. Ik ontdekte dat ik mezelf kon afleiden met eten. Of computerspelletjes, of mensen. Ik vermeed te allen tijden dat ik alleen was, en hoewel dat een nagenoeg onmogelijk streven leek, kreeg ik het voor elkaar. Ik liet de deur van de badkamer van het slot als ik douchte, om de kans te vergroten op inloop. Ik belde als ik op de wc zat. Maakte een kommetje van mijn hand om de echo te verminderen. 
 
De videospelletjes werden steeds gewelddadiger. 's Nachts droomde ik van met kogels doorzeefde lichamen, gutsend dik bloed dat het lijf verliet via de neus, oren of de mond. De rest van de nacht bracht ik bij mijn ouders in bed door. Tussen mijn vader en mijn moeder in, totdat onze lichaamswarmte mijn vader richting mijn eenpersoonsbed dreef. 
 
Toen ik te oud was om nog langer tussen mijn ouders in te liggen, trok ik mezelf af na een enge droom. Soms eindeloos lang, totdat ik met mijn pik in mijn hand in slaap viel en mijn huid de volgende ochtend trekkerig was van het opgedroogde sperma. 
 
Soms lag er een meisje in mijn bed. Dan droomde ik niet. 
 
Een tijd geleden, voor de komst van het virus, vroeg een vriendin of ik haar kon helpen verhuizen. Haar vloer was bezaaid met spullen: papieren, paperclips en elastieken, een handvol gekleurde, ongebruikte ballonnen, een aantal broeken en truien. 
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Alles waarvan ik niet weet bij welke categorie ik het moet onderbrengen,’ zei ze. In de hoek van haar grote antikraak woning stonden, naast een gekanteld matras, perfect opgestapelde en gelabelde dozen. Er was niemand anders om ons te helpen. Ik vroeg haar niet of ze meer mensen had gevraagd. 
 
We zochten de papieren uit. We gooiden weg wat onbruikbaar was, maakten van een sentimenteel briefje een foto en kochten te dure paperassen bij de plaatselijke sigarenboer om belangrijke documenten in op te bergen. De ballonnen bliezen we op en prikten we met de paperclips kapot, daarna veegden we alles bij elkaar en gooiden het in een vuilniszak. We kwamen er niet aan toe de dozen de verhuiswagen in te tillen. Maar er was ook geen verhuiswagen gehuurd. 
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Kan je nog een matras gebruiken?’ vroeg ze. 
Ze rommelde wat in één van de dozen. Buiten viel de schemering in. Ik knipte het licht aan en liep richting de muur waar het matras stond. Met mijn hand gaf ik het matras een klein zetje, het viel op de grond, de klap echode na. 
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Ik heb zelf een nieuw matras uitgezocht,’ zei ze. Ze was opgehouden de verschillende dozen te openen en te sluiten. ‘Bij een slaapspeciaalzaak. Wordt op m'n nieuwe adres afgeleverd. Je kunt deze meteen meenemen hoor, dan slaap ik vannacht op een luchtbed. Geen enkel probleem.’ 
Er zat een lichtblauw laken om het matras, dat ze er vanaf trok en tot een prop vouwde. Een grote, donkere vlek kwam te voorschijn, midden op het matras, omlijnd door een lichtere rand. Ik moest een neiging onderdrukken om eraan te ruiken.
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Het is van een heel oud omaatje geweest,’ zei ze. ‘Mijn ex-vriendje heeft het voor me geregeld.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Misschien is ze er wel in gestorven.’ 
 
Ik vervoerde het matras met de tram. Mijn fiets liet ik voor haar deur staan. 
 
Als ik nu in bed lig, denk ik aan de oude vrouw. Dan stel ik me haar rimpelige lichaam voor, de plooien die haar omtrek van een hobbelige en onregelmatige contour voorzien. Hoe ze zichzelf moeizaam in slaap woelt, bemoeilijkt door vochtophopingen in haar gewrichten. Dat er huidschilfers loskomen als schubben van een dode vis, dat ze grijze haren achterlaat, dat het zweet tussen haar magere borsten van haar lijf afglijdt, het matras in.


Gitka te Poel  schrijft, maakt programma’s en is onderdeel van de redactie van Hard//hoofd. Als programmamaker onderzoekt ze in de driehoek publiek, maker &#38;amp; instituut maatschappelijke tendensen op multidisciplinaire wijze. Als schrijver streeft ze naar een meerstemmige werkelijkheid, waarbij het vertrekpunt vaak geworteld ligt in een persoonlijke ervaring. Op dit moment werkt ze aan een veelvormig literair werk over de schijnbare tegenstellingen ziekte//gezondheid, droom//werkelijkheid en privé//publiek.  Ze ging samenwerkingen aan met het van Gogh Museum, Brainwash, de Brakke Grond e.a. en publiceerde  o.a. op DeFusie. Deze zomer studeert ze af aan Creative Writing. Gitka te Poel



Lees ook:
Exit •  ElleMet een versgebakken brood in de hand duw ik op de bel van mijn eigen huis. Twee keer kort na elkaar. Als ik me in de gevaarlijke wereld begeef, mag ik enkel naar binnen via dit signaal.Lees verder


Lees ook:
Kotsen huilen quarantaine •  Iris DickeDit is een gedicht geschreven door een barvrouw uit Rusland / die na het laatste biertje naar haar medicijnen grijpt // Dit is een gedicht geschreven door een vader uit Italië (...)Lees verder
</description>
		
		<excerpt>←  Nooit meer alleenGitka te Poel Ik ben erachter gekomen dat ik mijn gedachtes grotendeels kan omleiden. Ik hoef alleen maar een barricade op te werpen. Een...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Elle</title>
				
		<link>http://virusverhalen.nl/Elle</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Thu, 18 Jun 2020 21:56:11 +0000</pubDate>

		<dc:creator>VIRUS</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">371611</guid>

		<description>


  window.dataLayer = window.dataLayer &#124;&#124; [];
  function gtag(){dataLayer.push(arguments);}
  gtag('js', new Date());

  gtag('config', 'UA-160625483-1');


←

ExitElle
Woensdag 22 april, 16 uur 

Met een versgebakken brood in de hand duw ik op de bel van mijn eigen huis. Twee keer kort na elkaar. Als ik me in de gevaarlijke wereld begeef, mag ik enkel naar binnen via dit signaal. Verwarrend in bol.com-tijden, maar een beter alternatief hebben we nog niet. Voorzichtig opent mijn man de deur. Geen uitnodigende glimlach meer door de alom heersende angst voor alles wat binnenshuis besmet kan worden. Galant opent hij alle binnendeuren. Klinken aanraken met handen vol virussen is uit den boze. Ook de waterkraan draait hij open voor mij.&#38;nbsp; Een dosis Dettolzeep spuit hij gul op mijn handpalmen. Ik was mijn handen zoals voordien na een toiletbezoek. Vol afkeuring observeert hij me. Twee kwakjes zeep krijg ik nu. Hij neemt de kookwekker en stelt die in op veertig seconden. Terwijl mijn vel steeds roder en rauwer wordt, tikt de tijd. Wanneer het alarm afgaat, reikt hij me de doos met de papieren tissues aan. Na het omkleden mag ik in de zetel zitten op precies anderhalve meter afstand van hem. Enkel zijn zwijgende blikken raken me. &#38;nbsp; 

Donderdag 23 april, 7u30

De ochtend lijkt op de dagen daarvoor. Ik eet mijn cornflakes in de living. Hij mag op zijn vaste plaats in de keuken ontbijten. Daarna krijg ik een nieuwe taak toegewezen: mondmaskers naaien. Een hele dag werk want ik heb enkel naald en draad in mijn kot. Hij zet zijn laptop open en laat me enkele keren naar een YouTube-filmpje kijken. Ik moet leren hoe je van katoenen vaatdoeken mondmaskers maakt. Enkel hij mag het toetsenbord, dat een wildgroei is van zijn virussen, aanraken. Gelukkig mag ik notities nemen. Ik moet van hem mijn mooiste vaatdoeken en een stofzuigerzak voor de filter opofferen. In Hongkong is er één hond besmet met corona. Omdat hij gek zou worden van het geblaf bij het thuiszitten, mag ik nog gaan wandelen met onze Benji. Voortaan moet mijn schattebout ook een mondmasker dragen. Hoe dat model er moet uitzien, vindt mijn man niet terug op het internet.&#38;nbsp; 

Donderdag 23 april, 18 uur

De zon schijnt heviger dan weerman Frank Deboosere had voorspeld. In de tuin van de buren horen we vreemde stemmen. Een flagrante inbreuk op de regels van de veiligheidsraad. Met een gemene grijns op zijn gezicht loopt hij naar binnen om de telefoon te grijpen. ‘Het gelach zal snel stoppen wanneer ze elk een boete van 250 euro krijgen,’ zegt hij. Hij komt op zijn stappen terug en fluistert dat hij gaat wachten tot hun barbecue is aangestoken. ‘Dan arriveren de flikken pas wanneer iedereen uitgehongerd klaar zit voor zijn stukje vlees.’ Ik kijk weg en vlucht richting de keuken. Het kost me steeds meer moeite om gedwee te zwijgen. &#38;nbsp;&#38;nbsp; 


Vrijdag 25 april, 20 uur 

Hij verbiedt me om naar de seizoensfinale van Thuis te kijken. Hij wil wachten op de persconferentie van de nationale veiligheidsraad. De exitstrategie van premier Wilmès activeert mijn hersens. Ik blijf stoïcijns kalm en ga zoals gewoonlijk om 22 uur naar de logeerkamer. Sinds de Corona-uitbraak ben ik niet meer welkom in mijn eigen bed. 

Nu ik hem tot hier kan horen snurken, haal ik mijn geheime dagboek boven en schrijf ik mijn eigen gefaseerde stappenplan op: &#38;nbsp;&#38;nbsp; 

Fase 1a: 
● Vanaf maandag 4 mei mag hij opnieuw gaan werken en heb ik terug het kot voor mij alleen. 
●	Ik vertel mijn sterke buurman dat mijn ‘stasi’ echtgenoot verantwoordelijk is voor de politie-inval. In ruil zal hij me met plezier helpen verhuizen om het leven van die klootzak te ruïneren. 

Fase 1b: 
●	Op maandag 11 mei gaan alle winkels weer open en zal ik de gezamenlijke bankrekening plunderen. Geen idee wat ik wil, maar ik heb van 9 tot 5 uur de tijd om de Veldstraat leeg te shoppen. &#38;nbsp;&#38;nbsp; 
●	De stijlloze kleren die ik onlangs moest kopen in de hypermarkt van de Carrefour ga ik dinsdag ritueel verbranden. 
●	Op woensdag 13 mei verhuis ik, want elke donderdag controleert hij de bankrekeningen. 
●	Gezien ik maar hulp mag krijgen van één persoon kan ik geen kasten verhuizen. 
●	In de krant stond dat er nu vele trendy bemeubelde appartementen leeg staan in centrum Gent wegens een compleet gebrek aan Nederlandse toeristen. Een langdurig verblijf boeken is nog toegelaten. Dit lijkt me een prima tussenoplossing die ik al kan boeken met zijn Visakaart. Enkel even checken bij de eigenaars of Benji ook welkom is. &#38;nbsp;&#38;nbsp; 

Fase 2: 
●	 Op 18 mei kunnen mijn kapper en schoonheidsspecialiste, beschermd met een mondmasker, zorgen voor een volledige make-over. &#38;nbsp; 
●	Daarna neem ik selfies van mijn nieuwe ‘ik’ in mijn gezellig appartement en waag ik mijn kans op de datingmarkt. Ik ben razend nieuwsgierig om te ontdekken hoe een man mij plezier tussen de lakens kan bezorgen. 

Het blijft voorlopig onduidelijk wanneer ik mijn grote familie terug kan terugzien, maar na een jarenlange lockdown heb ik wel nog even geduld. Ik stuur alvast mijn jeugdvriendin een uitnodiging om mijn coronabuddy te worden. Het deert me niet dat ze misschien al iemand anders heeft gekozen. Eenzaamheid is niet de grootste hel.


Elle schrijft humoristische verhalen die sterk geïnspireerd zijn door haar dagelijks leven. Om de relatie
met haar vrienden en buren niet te verzuren blijft ze liever anoniem. Het plezier van het schrijven
ontdekte ze bij artistieke cursussen bij Wisper. Dit jaar volgde ze een schrijfopleiding bij
Kunstacademie De Poel in Gent.
Nieuwsgierig? Volg haar website:&#38;nbsp;verhalenmeteenglimlach.com Verstrooiing&#38;nbsp;  verstrooiing


Lees ook:
Kotsen huilen quarantaine •  Iris DickeDit is een gedicht geschreven door een barvrouw uit Rusland / die na het laatste biertje naar haar medicijnen grijpt // Dit is een gedicht geschreven door een vader uit Italië (...)Lees verder
 

Lees ook:
Gele vlag •  Celine VervaetIk klap het boek dicht en vanaf de achterflap lacht mijn jonge overgrootmoeder me toe, maar verder gebeurt er niets. Ik kan haar enkel aankijken, de schrijfster met haar matte ogen waarin ik mezelf zoek maar niet kan vinden.Lees verder
</description>
		
		<excerpt>←  ExitElle Woensdag 22 april, 16 uur   Met een versgebakken brood in de hand duw ik op de bel van mijn eigen huis. Twee keer kort na elkaar. Als ik me in de...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Iris</title>
				
		<link>http://virusverhalen.nl/Iris</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Thu, 18 Jun 2020 21:45:25 +0000</pubDate>

		<dc:creator>VIRUS</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">371610</guid>

		<description>


  window.dataLayer = window.dataLayer &#124;&#124; [];
  function gtag(){dataLayer.push(arguments);}
  gtag('js', new Date());

  gtag('config', 'UA-160625483-1');


←

Kotsen Huilen QuarantaineIris Dicke
Dit is een gedicht geschreven door een barvrouw uit Rusland
die na het laatste biertje naar haar medicijnen grijpt

Dit is een gedicht geschreven door een vader uit Italië 
die voor een lege groenteafdeling staat en zich afvraagt hoe laat ze zullen eten

Dit is een gedicht geschreven door het rugnummer van een klein jongetje uit China
dat kapotte voetbalschoenen heeft

Dit is een gedicht geschreven door het tentdoek van een vluchteling op Lesbos  

Dit is pijn woede en wanhoop op één grasveld

Dit is een gedicht over de boom in je achtertuin
die bacteriën vangt alsof het vliegen zijn

Dit is een gedicht over je oma
alleen in haar huis

Dit is een gedicht over een kapotte radiator
want ook de koude dagen tellen mee

Dit is een gedicht over een man uit een land waar de limonade anders smaakt

Dit is een gedicht over een week geen boodschappen doen
over Rummikub met je ouders 
en aangebrande roerbakgroente 

Als we eerlijk zijn 
ben je egoïst als je nog ademt
als je je zelfgebouwde winkelkar buiten in de zon zet 
laten we als hamsterende Nederlanders
kijken naar elkaar

Dit is een gedicht van anderhalve meter lang

Kun je me alsjeblieft gewoon even bellen?  


Iris Dicke (2005) won in 2019 de voorronde van Kunstbende Taal in Friesland en werd daarna derde in de landelijke finale. Haar tekst Het Het werd na aanleiding daarvan gepubliceerd in de Optimist. Sinds 2017 volgt ze lessen op Jeugdtheaterschool Meeuw en sinds 2018 is ze onderdeel van Meeuw Jonge Schrijvers. iris_drenee


Lees ook:
Gele vlag •  Celine VervaetIk klap het boek dicht en vanaf de achterflap lacht mijn jonge overgrootmoeder me toe, maar verder gebeurt er niets. Ik kan haar enkel aankijken, de schrijfster met haar matte ogen waarin ik mezelf zoek maar niet kan vinden.Lees verder


Lees ook:
Koning Curling •  Aaricia KayzerSep is de microcelebrity van zijn appartementencomplex. Als hij met zijn gespierde armen het portiek veegt, vallen de mensen om hem heen regelmatig flauw.Lees verder
</description>
		
		<excerpt>←  Kotsen Huilen QuarantaineIris Dicke Dit is een gedicht geschreven door een barvrouw uit Rusland die na het laatste biertje naar haar medicijnen grijpt  Dit...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Celine</title>
				
		<link>http://virusverhalen.nl/Celine</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Thu, 18 Jun 2020 21:36:28 +0000</pubDate>

		<dc:creator>VIRUS</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">371609</guid>

		<description>


  window.dataLayer = window.dataLayer &#124;&#124; [];
  function gtag(){dataLayer.push(arguments);}
  gtag('js', new Date());

  gtag('config', 'UA-160625483-1');


←

Gele vlagCeline Vervaet
Ik klap het boek dicht en vanaf de achterflap lacht mijn jonge overgrootmoeder me toe, maar verder gebeurt er niets. Ik kan haar enkel aankijken, de schrijfster met haar matte ogen waarin ik mezelf zoek maar niet kan vinden. De enige informatie die hier te rapen valt, betreft de woorden die haar beeltenis flankeren: “Cordelia Anders (1989-2079) groeide op in Gent en woonde nadien in Parijs, Bordeaux en Barcelona, waar ze op negentigjarige leeftijd overleed, drie jaar na haar tweede echtgenoot. Haar omvangrijke oeuvre is in achtendertig talen vertaald en het aantal verfilmingen van haar verhalen is niet te tellen. Haar derde roman, ‘Liefde in tijden van corona’, betekende in 2021 haar grote doorbraak.”
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Ik wist dit natuurlijk allemaal al lang. En ik weet nog veel meer. Dat Cordelia Anders drie studies startte maar er niet één afrondde, dat ze boeken in één zitting uitlas, dat ze hield van whisky en jenever. Dat ze geen gevoel voor ritme had maar wel voor humor. Dat ze na haar dertigste weigerde te vliegen. Dat ze het altijd koud had. Dat mijn grootvader een ongelukje was, en ik bij uitbreiding dus ook, en alle kinderen die ik zou kunnen baren. Dat ze in een winkel in Parijs werkte toen het coronavirus de halve wereld lam legde en zij noodgedwongen alleen thuis zat met haar kat. Ze herlas het boek van ene Gabriel García Márquez dat haar een half leven eerder had overdonderd en begon toen onophoudelijk te schrijven, zo zou ze later optekenen.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Op de bank in mijn kleine appartement vind ik geen comfortabele positie om te lezen. Het boek is dik en weegt zwaar in mijn schoot. Tot enkele weken geleden was alles nog vederlicht. Ik kon orders schreeuwen naar het floating screen dat me onopgemerkt volgde, maar sinds het V-virus – we noemen het liefkozend Vivi, al is het nog zo agressief – mij heeft bereikt, zijn schermen uit den boze, en spreekt niet één voice me toe. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Hoewel boeken van papier nog steeds populair zijn onder een kunstminnend publiek, bezit ik enkel de romans van mijn overgrootmoeder. Liever laat ik me niet leiden door de nostalgie die zo virtuoos door haar oeuvre is geweven, maar toch is er die ene doos met spullen die ik niet snel enkele reis richting vergetelheid zal sturen. Naast het werk van mijn voorouder bevat het onder meer mijn kinderknuffel Zita, mijn allereerste screen, defect en hopeloos ouderwets, en een glazen potje met daarin mijn gelige melktanden. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Liefde in tijden van corona’ heb ik er laatst uit opgevist. Ik koester het als een kostbaar artefact, want dat is het ook. Ik zou het voor een mooi bedrag kunnen verkopen aan een verzamelaar: originele eerste druk uit 2021 bij een toendertijd gerenommeerde uitgeverij. Cordelia Anders heeft er jaren later nog met zwarte balpen een boodschap aan mijn opa in neergeschreven. Hij heeft het doorgegeven aan zijn dochter en mijn moeder aan mij. De boodschap kan ik enkel lezen omdat ik weet wat er staat. Handschriften zijn voor mij vrijwel onleesbaar, maar gedurende overgrootmoeders leven leerden mensen nog volop met de hand schrijven, hoewel de PC in haar jeugd zijn intrede deed in het gemiddelde gezin. Haar eerste verhalen sloeg ze op op iets wat een diskette heette. Ze ging het zelf al snel ouderwets vinden, maar voor mijn part kon ze die verhalen net zo goed in een rotswand hebben gekrast.
Ik kan me niet eens helder voor de geest halen wanneer het allemaal begon, dit gedoe dat tot resultaat heeft gehad dat ik noodgedwongen in thuisquarantaine terecht ben gekomen en ben overgeleverd aan schaarse bronnen van analoog vertier. Nieuwsberichten over het V-virus hadden in eerste instantie geen grote ongerustheid bij me opgewekt. Mensen worden wel eens ziek en ook augmented intelligence kent haar tekortkomingen. Het leek toeval, maar waartoe Vivi in staat bleek, daarop waren we als mensheid niet voorbereid. Toen duidelijk werd dat het virus ook technologie gebruikte om zich te verspreiden en zowel mensen als systemen infecteerde, wilde ik er alles over weten. Hoe was dit mogelijk? Kon ik als informaticus doordringen tot dit virus of konden enkel medici ons redden? Mijn collega’s en ik hebben in allerijl een interdisciplinair lab opgezet voor artsen en informatici. Onze bevindingen zouden we aan elkaar trachten te koppelen. Ik vermoed dat een aantal collega’s er nu razend druk mee is, maar voor mij eindigde dit boeiende onderzoek al snel. Ik raakte besmet en mijn appartement werd buiten mijn wil om omgedoopt tot een schip waarop ik de enige passagier ben. Ook virtueel mag ik met niets of niemand in contact komen.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Het begon met een hoestje en mijn personal assistant Zoë die kleine foutjes maakte. Nadat ik positief had getest, werd onze verbinding meteen verbroken. De dagen die ik slapend doorbracht zijn intussen al lang voorbij. Mijn lichaamstemperatuur is daarbij nooit hoger geklommen dan 38,7 graden. Tijdens die eerste, lome dagen was ik nog een relatief uniek geval. Een oudere collega was in Hamburg naar een symposium geweest waar één onwetende geïnfecteerde ervoor had gezorgd dat Vivi gretig oversloeg op zowat alle aanwezigen en hun devices. Het heeft natuurlijk niet lang geduurd voordat de hele wereld eraan moest geloven. De nieuwsberichten die me twee keer per week worden toegereikt, noemden afgelopen week nog Kopenhagen, vandaag New York als epicentrum van het V-virus, maar iedereen weet dat er geen locatie op de aardbol is waar het nog niet is genesteld en wild om zich heen graait.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Waar het coronavirus honderd jaar geleden tijdens de eerste golf van de lente en zomer van 2020 uiteindelijk een geschat kwart van de bevolking in dichtbevolkte gebieden had besmet, van mild tot agressief en met dodelijke afloop, moet vandaag al meer dan de helft van de wereldbevolking eraan geloven. Ontelbare systemen zijn onherstelbaar gecrashed, wat voor haast apocalyptische taferelen zorgt. Het openbare leven ligt lam en een ziekenhuis waar niet één medisch apparaat nog te vertrouwen is, kun je beter een veldhospitaal noemen.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Ik vind elke drie dagen een overlevingspakket in het luik bij de voordeur met daarin etenswaren, de krant van die dag, speciaal voor de geïnfecteerden weer op papier uitgeven, en nu en dan een boek. Uit de vastgeklonken ramen zie ik van bovenaf een verlaten straat van waaruit één sensor in de gaten houdt of ik nog leef. Als die het nog doet tenminste. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Ik zwaai soms naar mijn overbuur. Het biedt troost als een knuffel. Verder vormt een noodknop mijn enige potentiële contact met de buitenwereld, maar misbruik wordt bestraft. De niet-besmette medemens heeft geen tijd om zich met de mild besmetten bezig te houden, aangezien de actieve bevolking voelbaar uitdunt. Nu is nog een beperkt aantal wetenschappers, informatici en artsen beschikbaar. Eens ook zij zijn besmet, zijn de consequenties niet te overzien. Surreëel is het, hoe we in dat geval tientallen jaren terug in de tijd zullen worden gekatapulteerd, alsof we tijdreizigers zijn. Alle mogelijke scenario’s komen in de krant aan bod, maar één ding staat vast: het zal jaren, zelfs decennia duren voor de wereld weer is zoals hij was voor Vivi toesloeg.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; En ik kan niets doen behalve lezen. Vivi zit in me en mijn collega’s hebben nog niet ontdekt wanneer iemand genezen kan worden verklaard, dus blijft de gele vlag voorlopig wapperen, net zoals ze dat deed op De nieuwe trouw in tijden van cholera. Alleen heb ik geen stuurman aan boord, en al helemaal geen geliefde waar ik een leven lang naar heb gehunkerd.
Nadat ik ‘Liefde in tijden van corona’ voor de tweede keer uit heb, de eerste keer was zo’n tien jaar geleden, lees ik ook het addendum dat werd gepubliceerd toen de roman in de jaren twintig van de vorige eeuw hoge toppen bleek te scheren, en dat ik eveneens in mijn nostalgiebox heb gevonden, hoewel het niet door overgrootmoeder Cordelia is geschreven, maar door een literatuurwetenschapper die uiteindelijk zijn hele leven aan haar werk heeft gewijd. Hij schreef een grondige vergelijkende studie met het nog veel oudere boek waar het al in de titel naar verwijst. Cholera zegt me niets, maar het verhaal speelt zich dan ook meer dan tweehonderd jaar geleden af. Mijn overgrootmoeder had het in quarantaine herlezen en uitgebreid notities gemaakt, die ook zijn opgenomen in het addendum. Nu zowel Anders’ als Márquez’ boek weer volop opduikt in de media, en ‘Liefde in tijden van cholera’ daardoor op een dag in het overlevingspakket was opgenomen, besloot ik het te lezen om te begrijpen welk intertekstueel spelletje Cordelia Anders speelde. Er is werkelijk niets anders waarmee ik me kan bezighouden.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Wat begint als bezigheidstherapie, mondt uit in een aan obsessie grenzende fascinatie. Na twee dagen heb ik het boek uit: een recordtempo voor een niet-getraind lezer als ik, die al een heel leven verknocht is aan spraaktechnologie. Na het lezen ga ik een hele dag op mijn rug op het tapijt liggen en zie het verhaal dansen voor mijn ogen. Florentino als een klein, iel mannetje met een hoed en scherpe gelaatstrekken, niet bijster aantrekkelijk, en Fermina als een gereserveerde femme fatale, inclusief rode lippen en zwoele heupbewegingen, deugdelijkheid veinzend terwijl ze Florentino quasi-onbewust het hoofd op hol brengt en hem uiteindelijk haar liefde schenkt. Ze lopen hand in hand over het plafond en varen weg door het raam.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Ik probeer me voor te stellen hoe Florentino een leven lang naar zijn Fermina hunkerde, verstoken van communicatiemiddelen of manieren om haar leven van een afstand te volgen, en die hunkering botvierde op de ene na de andere willekeurige vrouw. Hoe een handvol herinneringen hem decennialang staande hield, overtuigd van een zekere vorm van voorbestemdheid. Hoe hij vertrouwde op zijn gevoel. Ik denk aan de overbuurman en hoe we dagelijks naar elkaar zwaaien. Eerder knikte ik hem hooguit toe in de straat, één keer kwam ik hem tegen bij een concert, maar we hebben nooit met elkaar gepraat. Toch weet ik hoe hij heet en waar hij werkt, wie zijn vrienden zijn, met wie hij heeft geslapen, waar hij graag eet en ken ik zijn stopwoordjes en tics. Ik weet dat hij van mij dezelfde dingen weet, want zo werkt het nu eenmaal, en er is niemand die zich daaraan stoort. Dat is weleens anders geweest. In Cordelia Anders’ boeken lees ik over privacyeisen en -lekken, over fake news en digitale fraude. Over heerlijk ouderwetse apps waarin je links en rechts kunt swipen om de liefde van je leven te vinden of een wip voor één nacht. Apps die in tijden van corona, waarin de wereldbevolking gevraagd werd te allen tijde anderhalve meter afstand van elkaar te houden, hopeloos onbruikbaar werden. De overbuurman en ik zullen hoe dan ook met elkaar naar bed gaan, maar iets als liefde zullen wij niet kennen.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; De volgende dag herlees ik ‘Liefde in tijden van corona’ en het addendum. Francis en Anna, die hoewel oer-Europees, expliciet aan Florentino en Fermina refereren, lopen elkaar aan het eind haast Romeo and Juliet-gewijs mis. Hun leefwereld biedt oneindig veel meer kansen dan die van Florentino en Fermina, maar zij vergeten haast dat het leven ondanks alles een onherroepelijk einde kent.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Na het werk van mijn overgrootmoeder lees ik nog een keer Marquez’ roman, om daarna weer Cordelia’s werk te bestuderen. Ik ga in een oneindige lus zo door tot de open ramen frisse lucht naar binnen waaien en er weer mensen lopen in de straat.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Zodra ik de kans krijg tot typen, al is het op een offline laptop en in een wereld die, hoewel fysiek ongeschonden, aan scherven ligt, ga ik onophoudelijk tikken, net zoals ik onophoudelijk gelezen heb. Soms zie ik in een ooghoek de overbuur aan zijn raam staan en dan wuif ik hem vrolijk toe, maar de vlag laat ik nog even wapperen.

Celine Vervaet woont en werkt in Rotterdam, waar ze geregeld bij The Writer’s Guide (to the Galaxy) te vinden is. In haar verhalen zijn de hoofdrollen vaak weggelegd voor steden en nostalgie. Ze publiceerde fictie bij Vers Beton en De Optimist en won recentelijk de korte verhalenwedstrijd van literair agentschap Sebes &#38;amp; Bisseling. Ze werkt aan een roman. www.celinevervaet.com&#38;nbsp;  celinevervaet


Lees ook:
Koning Curling •  Aaricia KayzerSep is de microcelebrity van zijn appartementencomplex. Als hij met zijn gespierde armen het portiek veegt, vallen de mensen om hem heen regelmatig flauw.Lees verder


Lees ook:
Plaklippen •  Andrea GritterHet is de geur die hem wekt. Scherp, als de ochtendoksel van zijn vader. De warmte, de stem, de huid die aanvoelt als een nieuwe luier; het is allemaal anders, maar vooral de geur valt op, stoort hem.Lees verder
</description>
		
		<excerpt>←  Gele vlagCeline Vervaet Ik klap het boek dicht en vanaf de achterflap lacht mijn jonge overgrootmoeder me toe, maar verder gebeurt er niets. Ik kan haar...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Aaricia</title>
				
		<link>http://virusverhalen.nl/Aaricia</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Thu, 18 Jun 2020 21:19:19 +0000</pubDate>

		<dc:creator>VIRUS</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">371608</guid>

		<description>


  window.dataLayer = window.dataLayer &#124;&#124; [];
  function gtag(){dataLayer.push(arguments);}
  gtag('js', new Date());

  gtag('config', 'UA-160625483-1');


←

Koning CurlingAaricia Kayzer
Sep is de microcelebrity van zijn appartementencomplex. Als hij met zijn gespierde armen het portiek veegt, vallen de mensen om hem heen regelmatig flauw. Ze kennen zijn gezicht van tv: in Sotsji en Pyeongchang won hij met zijn curlingteam gouden medailles en sindsdien verkopen niche webshops broodtrommels met zijn gezicht erop. Het is een kwestie van tijd tot hij het meest gevraagde covermodel voor Men’s Health wordt. Hij droomt graag groot, al weet hij niet precies waarover. Als het maar méér is. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Het toeval wil dat er in hetzelfde appartementencomplex een man woont met dezelfde droom. Zijn naam is Milo en hij werkt met naïeve gedrevenheid aan zijn toekomst. In zijn langwerpige kelderwoning van vijftig vierkante meter ligt onder de knipperende tl-buis een geïmproviseerde miniatuurcurlingbaan. Hier laat Milo stenen los met een soepele polsbeweging die hij heeft afgekeken van tv. Ze schuiven nauwelijks vooruit op de ruwe ondergrond en naarmate hij dit vaker doet ontstaat er een diepe richel in zijn vloer, alsof er vroeger een ingekapselde rivier door zijn kamer heeft gestroomd. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Dat Sep en Milo in hetzelfde appartementencomplex wonen is een toeval dat niet beter georkestreerd had kunnen worden door alle sterren, goden en planeten bij elkaar. Hun ontmoeting gebeurt niet eens doordat Milo Sep herkent. In plaats daarvan is het Sep die op een dag potentie in Milo ziet. Als Milo bij de ingang van het gebouw zijn portemonnee laat vallen, bukt hij namelijk op een manier die kenmerkend is voor de beginnende curler: met één been door de knie gezakt, terwijl de ander uitgestrekt naar achter wijst. Sep weet meteen wie hij voor zich heeft: een jongere versie van zichzelf. Ze zijn soulmates met een scheve verhouding, want Sep is wie Milo wil zijn. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Als een moedervogel neemt Sep zijn protegé onder zijn vleugel voor wekelijks gymnastisch onderwijs. Vaker wel dan niet monden die uren uit in borrelavonden met virgin mojito’s, waarbij Sep ermee weg komt om meerdere malen dezelfde quasifilosofische stelling in te leiden met qu’est ce que c’est…?, en dingen te zeggen als: als een politieman een puppy redt uit een draaiende wasmachine maar er is niemand om het te zien, is het dan wel echt gebeurd? Wanneer covid-19 abrupt een einde maakt aan hun vis-a-vis trainingssessies schuine streep filosofiedefilés, voelt het voor Milo als niets minder dan het noodlot dat van bovenaf met een donderslag door het hele complex trekt en met de meeste kracht inslaat in zijn kelderwoning.
&#60;img width="70" height="71" width_o="70" height_o="71" src_o="https://cortex.persona.co/t/original/i/25629d632b7af2c431787be109139541b40043aeabd58c74329e82a8be55d2d2/Virusverhalen-Coronavirus.png" data-mid="942564" border="0" data-scale="2"/&#62;

Milo merkt: Sep en hij zijn nog steeds tot elkaar veroordeeld, ook al zijn ze niet bij elkaar. Ze videobellen elke dag om te praten over polssouplesse, veegtechnieken en de beste stenen voor een strakke worp. Ze hebben het over hoe Milo steeds peziger wordt en over de slogan van de curlingbelangenvereniging: Samen vegen we corona de wereld uit. Ze hebben het over coronahoesters en over wie het meest het woord moet voeren tijdens een gesprek met de corona-eenzaamheidslijn: de beller of de vrijwilliger? Ze vergaderen elke twee dagen over hun voortgang, gebruiken een meetlint om de omvang van hun armspieren bij te houden en een app voor hun dromen. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Nog liever dan deze gesprekken zou Milo Sep riskante vragen willen stellen zoals: ‘Stel deze maatregelen duren nog twee maanden, is kwaliteit van leven in verzorgingstehuizen dan niet belangrijker dan kwantiteit?’, of nog spannender: ‘Stel we zaten samen op een onbewoond eiland, zou je dan nog steeds afstand van me houden?’ Als hij hieraan denkt, begint zijn hart te racen.&#38;nbsp; &#38;nbsp; 
Tijdens het whatsappen stuurt hij heel soms &#60;img src="https://lh3.googleusercontent.com/MsrvqfQd_OmutzsJVssBLWpj1XsSYRmGgjajvxKKvU1ebUovxzrAfERW7-GbdIXP6_akJ7cTjDkOulGZNC0pdFAC1YbRpKuzGzRTRjEQtRWMZVLlusrSYo4hK3kCslc-c_kHjNU" width="35" height="35" style="width: 22.619999999999997px; height: 22.619999999999997px;" data-scale="3"&#62;, &#60;img src="https://lh5.googleusercontent.com/dnQyBY0I7-e9GaXozhxcDsGe3x5AWbhNdS2yU9OuwKpB7cRZ7j9Ss2vqNVtv2xZDNYgHZ04S5a7OPcGs4gIKhekS1X-jl48He-M1UFIC8wMc6flpdRUm6TKt-Nx-agTMNWazTXo" width="35" height="35" style="width: 22.619999999999997px; height: 22.619999999999997px;" data-scale="3"&#62; en &#60;img src="https://lh3.googleusercontent.com/NN671fZIDhTjlGyJkxb79Y6q80Oj4FJNJ2KvU_4JzMSkWpSSwD4jqnmRriiWFpPwasUnz9utra8SVF7UiiXfd0o4saRoYWvVFXwb3Yz6f8jgejrwhrQTLuqdJMpZ-rz9ODxyB5w" width="35" height="35" style="width: 22.619999999999997px; height: 22.619999999999997px;" data-scale="3"&#62;. Zijn gedachten zijn van het soort dat je krijgt als je veel samen sport en in tijden van gedwongen afstand ineens extra dicht op elkaars huid wil kruipen.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Trainen zonder Sep vindt Milo volstrekt nutteloos, net als alle dingen die je onverhoopt in je eentje moet doen. Als je met een perfecte curve tot achter de tweede hog line komt, maar er is niemand om het te zien, is het dan wel echt gebeurd? Hij begint te veel na te denken en tijdens het nadenken voelt hij zijn spieren verslappen, tot zijn armen uiteindelijk niets meer zijn dan een huidkleurige brij en uiteindelijk klinken zelfs alle woorden die hij zegt als blubber. Sep sleept hem er doorheen als een goeroe, een eenzame man op een berg met alle wijsheid in pacht, een adelaar met zijn borst naar voren gestoken. Hij is een echokamer van gestolen wijsheden en zegt dingen als: ‘Winnaars hebben een plan, verliezers een excuus’, of zelfbedachte uitspraken niet aan de al bestaande tippen: ‘Kom op man, doe eens beter je best.’
&#60;img width="70" height="71" width_o="70" height_o="71" src_o="https://cortex.persona.co/t/original/i/25629d632b7af2c431787be109139541b40043aeabd58c74329e82a8be55d2d2/Virusverhalen-Coronavirus.png" data-mid="942564" border="0" data-scale="2"/&#62;

Milo moet zijn zielige hoopje ledematen bij elkaar rapen en opstaan. Sep zegt het. Zijn moeder zegt het. Mark Rutte zegt het. Hij weet dat iemand deze situatie moet oplossen, een underdog. Er is te veel leed, hij ziet het in de human interest-artikelen van De Telegraaf, de opiniepeiling van Maurice de Hond en de Instagramstories van de KNVB. Als hij na het douchen in de spiegel kijkt, ziet hij iets wat hij nog niet eerder zag: hij is niet langer een man in een kelderwoning met een knipperende lamp, hij is een man in een kelderwoning met een knipperende lamp en potentie. Hij is een moderne held, gelijk aan een brandweerman die een kind redt uit een brandend gebouw, of een supermarktmedewerker die met uitgestrekte arm op een ongeduldige man afloopt en zegt: ‘Graag anderhalve meter afstand houden.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Hij bekijkt zijn lichaam van top tot teen tot hij zijn blik los weet te scheuren. Hij kleedt zich aan, pakt een bezem uit één van de grijphaken die hij aan de muur heeft gemonteerd en loopt zes verdiepingen omhoog. Zijn spieren verstevigen weer en uit zijn quarantainemassa groeit een real life Action Man van vlees en bloed. Als hij bij Seps appartement aankomt hoeft hij niet uit te hijgen, hij klopt meteen aan. Sep doet open met een vastberaden blik waarin Milo zichzelf weerspiegeld ziet. Ze weten: er moet iets gebeuren, en wij moeten het doen.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Zo beginnen ze, twee hedendaagse Titanen. Ze vegen snel en vakkundig het hele gebouw en gebruiken zoveel kracht dat alle oneffenheden van de vloer verdwijnen. Milo veegt de zweetdruppels van zijn gezicht en hij ziet dat de stof van Seps shirt doorweekt is, maar ijdelheid stopt ze niet, ze blijven vegen. De vloer is nu zo glad dat er mogelijk geen virussen aan vast kunnen kleven. Nu kan de bovenbuurvrouw van tachtig weer bezoek ontvangen, de man met een longaandoening die op de begane grond woont durft zijn eigen boodschappen weer te doen, de kinderen van de alleenstaande moeder kunnen eigenlijk weer verstoppertje spelen in de gang en overheden struikelen over elkaar heen om patenten aan te vragen op hun techniek! De bewoners van het complex doen een polonaise en journalisten rukken uit, mensen applaudisseren hen massaal toe en iemand vuurt een confettikanon af, want zij zijn de helden van de wereld! 

Aaricia Kayzer (1996) schreef een tijd artikelen voor een universiteitsblad en deed de master Literair bedrijf aan de Radboud Universiteit. Nu dat allemaal net is afgerond werkt ze in een eetcafé en organiseert ze soms het poëziefestival Onbederf’lijk Vers. Ook schreef ze dit verhaal. aariciakayzer


Lees ook:
Plaklippen •  Andrea GritterHet is de geur die hem wekt. Scherp, als de ochtendoksel van zijn vader. De warmte, de stem, de huid die aanvoelt als een nieuwe luier; het is allemaal anders, maar vooral de geur valt op, stoort hem.Lees verder



Lees ook:
Dag meneer de regenrups •  Thom WijenbergDe tuindeur schuift langzaam open. Nadia kijkt over de rand van haar tijdschrift en ziet Koentje. Hij zit in de deuropening met zijn handen in zijn schoot. Hij zet zijn bril af, trekt een van zijn armen terug in de mouw en poetst de glazen in de stof van zijn trui.Lees verder
</description>
		
		<excerpt>←  Koning CurlingAaricia Kayzer Sep is de microcelebrity van zijn appartementencomplex. Als hij met zijn gespierde armen het portiek veegt, vallen de mensen...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Andrea</title>
				
		<link>http://virusverhalen.nl/Andrea</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Wed, 03 Jun 2020 18:42:46 +0000</pubDate>

		<dc:creator>VIRUS</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">369774</guid>

		<description>


  window.dataLayer = window.dataLayer &#124;&#124; [];
  function gtag(){dataLayer.push(arguments);}
  gtag('js', new Date());

  gtag('config', 'UA-160625483-1');


←

PlaklippenAndrea Gritter
Het is de geur die hem wekt. Scherp, als de ochtendoksel van zijn vader. De warmte, de stem, de huid die aanvoelt als een nieuwe luier; het is allemaal anders, maar vooral de geur valt op, stoort hem. Hij opent zijn ogen en ziet een groot gezicht, half bedekt onder een stortvloed aan witte haren.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Ja,’ zegt het haar, ‘daar ben je!’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Meer stemmen hoort hij nu. Ergens op de achtergrond zijn moeder, maar ver, te ver. Het gezicht komt dichterbij, prikt op zijn kin, drukt lippen op zijn wang.&#38;nbsp;‘Dag schatje, dag jongen, dag grote jongen van me,’ zegt het, ‘wat ben je alweer gegroeid.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Mama, wil hij roepen, papa! Maar in plaats van woorden komen er alleen geluiden uit. Onsamenhangende geluiden, dat hoort hij zelf ook wel. Ook al is hij al elf weken oud, de woorden die hij hoort, die uit de monden rollen van de anderen, makkelijk, alsof het ademen is, of knipperen, kan hij maar niet nabootsen. Hoe hard hij ook zijn best doet.  
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Hij duwt het gezicht met de prikharen van zich af en draait zich naar de andere kant. Bij de eettafel staat zijn moeder. Waarom komt ze niet? Hij voelt vocht vanuit zijn ogen over zijn wang naar zijn kin glijden. Zijn stem schalt luid door de kamer. Daar hoeft hij niet eens over na te denken, het gebeurt gewoon.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Goh, jij kan wel brullen, hè,’ zeggen de lippen, ‘herken je mijn gezicht niet?’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Hij schreeuwt nog maar eens.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Rustig maar, lieverd.’ Mama. Opgelucht houdt hij zich stil, draait zijn hoofd naar haar stem. Daar is ze, zijn moeder, de verlosser, naast de baard op de bank. Hij strekt zijn armen naar haar uit, maar ze reageert niet, pakt hem niet op zoals ze gewoonlijk doet.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Kom, rustig aan, dit is je opa. Weet je nog?’ Ze kijkt naar de baard. ‘Hij moet gewoon even wennen, dat is alles.’ Ze staat op en loopt weg.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Mama! Roept hij. Laat me hier niet achter! Maar de woorden komen niet.
 
Er was iets vreemds aan de hand. Hoewel hij niet precies kon zeggen wat het was, voelde hij dat er iets veranderde. De hele dag had de gemoedelijkheid die hij gewend was: de zachte stem van zijn moeder, de warme huid van zijn vader, het drinken, verschonen, het kijken naar de bewegende pluchen dieren die boven zijn hoofd ronddraaiden; het was er allemaal. Tot de avond kwam. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Zijn ouders hadden met gespannen gezichten op de bank gezeten, hun ogen op het televisiescherm gericht waarop een ernstige man te zien was. Toen de man na een korte knik uit beeld verdween, stond zijn moeder abrupt op.&#38;nbsp;‘Eindelijk!’ riep ze.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Zijn vader liet zich juist achterover tegen de leuning vallen, sloeg zijn handen in elkaar en wreef vervolgens over zijn wangen en voorhoofd. Geen van beiden had oog voor hem, het spartelende wezen tussen hen in.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Zijn moeder had door de woonkamer gebeend, heen en weer, steeds maar weer dat ‘eindelijk’ herhalend. Niet alleen tegen zichzelf, of zijn vader, maar ook in de telefoon die vrijwel onafgebroken tegen haar oor drukte. Nu zweefde haar hoofd boven het zijne, haar mond was wijd geopend en boven het vele oogwit dat ze liet zien, had ze haar wenkbrauwen tot bijna aan haar haargrens opgetrokken. ‘Het is voorbij, kleine,’ zei ze, ‘de lockdown is voorbij!’ Ze wurmde haar vingers onder zijn oksels en drukte hem tegen haar borst, zijn oor op haar sleutelbeen. Rond draaiden ze, rond en rond. Hij zag de lamp, de balk met de scheuren er in, de dikke stofdraad die al sinds hij zich kon herinneren tegen de muur geplakt zat, de lamp weer, de balk, de stofdraad, lamp, balk, stofdraad – hij verplaatste zijn blik naar haar gezicht.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Vanaf nu wordt alles beter, liefje,’ zei ze.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Zijn vader was opgestaan en had iets uit glas in ander glas geschonken, waarna hij en mama het aan hun lippen zetten en een slok namen. Hij had zich altijd afgevraagd hoe dat zou zijn, drinken uit iets dat er zo hard en koud uitzag. Waarom zijn ouders dat verkozen boven de zachte huid van de tepel, was hem een raadsel.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Zijn moeder verslikte zich, hoestte, lachte, werd bijna even rood als de blouse die zijn voedselvoorziening bedekte en keek hem aan. ‘Fijn hè, kleintje,’ zei ze en plantte haar lippen een aantal keer op zijn wang. Onwillekeurig moest hij lachen.
 
Hij is weg bij de prikbaard, maar nu wordt zijn lichaam van arm naar arm overgeheveld; huid en stof, een hoge stem, lippen die plakken als opgedroogde melk, vingers die zijn handen omvatten, ze tegen zijn zin heen en weer bewegen.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; En dan, eindelijk, mama. ‘Oh, liefje,’ zegt ze, ‘eindelijk mogen we weer bij elkaar zijn, zonder raam er tussen. Mogen ze je vasthouden en knuffelen, net zoveel als wij gedaan hebben.’ Bij het laatste ziet hij haar ogen even wiebelen.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Hij kijkt naar haar. Hoort haar woorden, voelt de dreiging. Hij wil niet bij elkaar zijn, wil niet aangeraakt worden door deze onbekenden, geen plaklippen op zijn gezicht, geen vreemde stemmen in zijn oor. Hij wil dat het blijft zoals het was, terug naar voor hij in slaap viel, naar alleen papa’s sterke armen met de spieren die hij in zijn rug voelde drukken, alleen mama’s geur van gewassen haren en mandarijnen en daar bovenuit altijd de geur van melk die hem naar haar toe doet draaien, zijn armen naar haar uit doet strekken. Terug naar alleen hun stemmen, hun hoofden boven het zijne, hun handen om zijn lichaam. Terug, terug, terug in de tijd, terug de lockdown in&#38;nbsp;– wat dat ook moge zijn. Alles beter dan dit. Hij opent zijn mond en schreeuwt.





Andrea Gritter ontwerpt, illustreert en schrijft. Zij studeerde aan de Design Academy in Eindhoven en aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. In 2019 stond zij op de longlist van De Grote Lowlands Schrijfwedstrijd en in 2020 op die van de debutantenschrijfwedstrijd van Stichting Beter Schrijven. Haar korte verhaal ‘Duel’ is nu te lezen op digitaal cultureel magazine De Optimist. andreagritter&#38;nbsp;  Andrea Gritter 

Lees ook:
Dag meneer de regenrups •  Thom WijenbergDe tuindeur schuift langzaam open. Nadia kijkt over de rand van haar tijdschrift en ziet Koentje. Hij zit in de deuropening met zijn handen in zijn schoot. Hij zet zijn bril af, trekt een van zijn armen terug in de mouw en poetst de glazen in de stof van zijn trui.Lees verder
Lees ook:

Avondbeelden • Ola EnzlerIk loop door de ontvolkte straten van Amsterdam-Oost. Het enige licht komt van de gele straatlantaarns en de lichten achter de ramen. Ik wikkel mijn sjaal rond mijn gezicht. Ik ben opgelucht dat er niemand over straat loopt, dat de kans om ziek te worden kleiner is, dat ik niet uit hoef te wijken voor langslopende mensen.
Lees verder</description>
		
		<excerpt>←  PlaklippenAndrea Gritter Het is de geur die hem wekt. Scherp, als de ochtendoksel van zijn vader. De warmte, de stem, de huid die aanvoelt als een nieuwe...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Thom</title>
				
		<link>http://virusverhalen.nl/Thom</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Wed, 03 Jun 2020 18:21:30 +0000</pubDate>

		<dc:creator>VIRUS</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">369773</guid>

		<description>


  window.dataLayer = window.dataLayer &#124;&#124; [];
  function gtag(){dataLayer.push(arguments);}
  gtag('js', new Date());

  gtag('config', 'UA-160625483-1');


←

Dag meneer de regenrupsThom Wijenberg
De tuindeur schuift langzaam open. Nadia kijkt over de rand van haar tijdschrift en ziet Koentje. Hij zit in de deuropening met zijn handen in zijn schoot. Hij zet zijn bril af, trekt een van zijn armen terug in de mouw en poetst de glazen in de stof van zijn trui.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Mama,’ zegt hij. Ze hoort een lichte aarzeling in zijn stem. ‘Mama, ik kan Stego de stegosaurus nergens vinden.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Nadia legt het tijdschrift weg en gaat rechtop in de tuinstoel zitten. Ze bekijkt haar zoon, haar enige, haar kleine kuikentje. Het blijft haar verbazen hoeveel hij op haar lijkt. Het is alsof ze naar een van de filmpjes kijkt die haar vader vroeger van haar maakte en die nog ergens in een doos op zolder liggen. Dit is haar kind, denkt ze. Daar zal ze nooit aan hoeven te twijfelen. Met zijn krullen en zijn melkwitte huid die bij het kleinste tikje blauw kleurt en daarna geel. Waar ze ook heen gaan, ze plukt hem er zo uit. Maar het gaat verder dan zijn uiterlijk. Ook in zijn houding herkent ze stukjes van zichzelf. Zijn terughoudendheid bijvoorbeeld, hoe hij een klein universum om zichzelf heen heeft gebouwd en vanachter de ramen naar de wereld kijkt, angstig en nieuwsgierig tegelijkertijd. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Stego de stegosaurus?’ vraagt ze. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Koentje knikt. Hij tilt zijn brilletje boven zijn hoofd om te controleren of er geen vlekken meer op zitten. Dan legt hij de poten achter zijn oren en duwt hij het montuur omhoog, zijn neus op. Zijn ogen zijn groot en insectachtig achter de ronde glazen. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Een zwaar gevoel strijkt neer in Nadia’s maag en blijft daar koppig zitten. Ze zegt tegen zichzelf dat ze er niet aan mag toegeven. Dus ze staat op, loopt door de tuin. Met grote gebaren speelt ze dat ze de dinosaurus zoekt. Ze buigt een tak om, kijkt in de schuur en onder de loungeset. ‘Stego, Stego, waar ben je? Ste-go?’ 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Bij de zandbak blijft ze staan. Ze buigt voorover en hijst de speelgoeddino aan zijn staart uit het zand. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Is dit hem?’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Koentje zegt niks. Ze durft zich niet om te draaien en hem aan te kijken. Niet dat het nodig is. Ze weet precies welk gezicht hij nu trekt, wat ze in zijn ogen zal lezen. Dus houdt ze haar blik gericht op het oranjerode reptiel dat iemand ooit als verzameling botten uit de aarde heeft getrokken en stegosaurus heeft genoemd. Na een paar tellen hoort ze Koentje opstaan. Hij veegt zijn voeten en schuift de deur achter zich dicht. Pas als hij het volume van de televisie weer omhoog heeft gedraaid, laat ze het speelgoed los. Met een zachte plof landt Stego in het zandbakzand.

&#60;img width="70" height="71" width_o="70" height_o="71" src_o="https://cortex.persona.co/t/original/i/8760da68818f26cf5eaca188012f638ff9c2170f95c8c71757a6cd6ee8f45e5b/Virusverhalen-Coronavirus.png" data-mid="933538" border="0" data-scale="2"/&#62;

Op zijn derde vrije dag kondigde Koentje aan dat hij niet meer naar buiten ging en hij meende het. Hij zette geen stap meer buiten de deur. Hij wilde niet mee naar de supermarkt of de speeltuin en als vriendjes aanbelden, zei hij dat hij zich niet lekker voelde of dat hij een spel op de computer aan het spelen was. Toen Nadia hem vroeg waarom hij niet naar buiten ging, wees hij naar het televisietoestel. Het mocht niet van de meneren op het journaal, zei hij. Die hadden gezegd dat het gevaarlijk was om naar buiten te gaan. Op straat kon iemand hem de hoestziekte geven. Zelf zou hij gezond blijven, maar hij kon de hoestziekte wel doorgeven aan opa’s en oma’s en die konden er niet goed tegen. Iedereen moest dus binnen blijven, vonden de meneren en dat vond Koentje ook.   
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Nadia zag dat hij het meende en probeerde met hem te praten. Ze zei dat het niet goed voor hem was om zo lang binnen te blijven. Hij had frisse lucht nodig. Bovendien kon hij in de achtertuin geen opa’s en oma’s tegenkomen. Koentje schudde zijn hoofd. Het virus bleef heel lang op bepaalde spullen zitten, zei hij. En hij kon toch ook frisse lucht krijgen als ze de deur open lieten staan? Nadia wist niet wat ze daar tegenin moest brengen. Koentje was mondig en wist meer van het virus dan zij. Hij zat de hele dag voor de televisie, terwijl zij nog niet één persconferentie had gezien. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Daarna gooide ze het over een andere boeg. Ze legde snoep en Donald Ducks in de tuin, net ver genoeg dat Koentje wel over de drempel moest om ze te pakken. Maar Koentje kwam niet en de lokazen bleven liggen totdat Nadia ze in de container smeet. Met Pasen deed ze een ultieme verleidingspoging. De avond van tevoren versierde ze de tuin met slingers en verstopte ze eitjes achter bloempotten. Toen Koentje de volgende ochtend beneden kwam, drukte ze een mandje in zijn handen. Ze zei dat hij een nieuwe dino mocht uitzoeken als hij alle eieren kon vinden. Zelfs een hele grote die geluid maakte. De prijs deed er niet toe. Koentje dacht even na, zei vervolgens ‘nee’. Hoeveel hij ook van dino’s hield, de woorden van de meneren op televisie waren hem heilig. Hij zette het mandje op tafel en ging met een leesboek op de bank zitten. De eitjes moest Nadia zelf maar zoeken.

&#60;img width="70" height="71" width_o="70" height_o="71" src_o="https://cortex.persona.co/t/original/i/8760da68818f26cf5eaca188012f638ff9c2170f95c8c71757a6cd6ee8f45e5b/Virusverhalen-Coronavirus.png" data-mid="933538" border="0" data-scale="2"/&#62;


Koentje ligt al op bed als ze boven komt. Hij heeft zijn armen achter zijn hoofd gevouwen als een ventje en tuurt naar het plafond. Hij vraagt wat er gebeurt in een vaatwasser, of er borsteltjes uit de muren komen die de bekers en borden schoonboenen. Nadia zegt dat dat een vraag voor morgen is en trekt het dekbed tot zijn kin op. Als ze hem heeft ingestopt, gaat ze op de bedrand zitten. Koentje laat zijn hoofd traag naar rechts zakken. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Ik keek net uit het raam en toen zag ik Stego,’ zegt hij.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Ze leunt naar Koentje toe om een verdwaalde pluk haar achter zijn oor te leggen.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Oh, wat deed hij daar?’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Hij klopte op de deur. Ik denk dat hij graag naar binnen wil.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Ik denk dat hij wil dat jij naar buiten komt,’ zegt ze, ‘zodat jullie samen in de tuin kunnen spelen.’ Koentje maakt een brommend geluidje. Ze voelt zich schuldig dat ze zijn speelgoed heeft afgepakt. Is ze te ver gegaan? Het lukt haar niet om er goed over na te denken als hij zo dichtbij haar is. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Slaap lekker,’ zegt ze. Ze klopt twee keer met haar vlakke hand op het bed en staat op.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Slaap lekker, mama.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Als Nadia het licht uitknipt en de deur achter zich dichtdoet, blijft ze op de overloop staan. De lamp boven haar zoemt. Ze denkt terug aan een middag op het schoolplein, een aantal maanden geleden. De groep van Koentje was laat. De bus die ze van het zwembad terug naar school bracht stond in de file, of zoiets. Een van de wachtende ouders vroeg aan de rest wat zij het zwaarst vonden aan het ouderschap. Een vrouw die pas haar vierde kind had gekregen riep meteen iets over poepluiers en borstvoeding. Een andere vrouw noemde het gekrijs dat midden in de nacht begon en pas bij het ochtendgloren ophield. Een man met een baard zei dat hij altijd zo moe was sinds de komst van de tweeling en een volgende begon over een ex die na twee jaar plotseling was vertrokken, omdat hij toch niet klaar was voor het gezinsleven. Hij woonde inmiddels in Brussel met een sportjournaliste die acht jaar jonger was dan hij.  
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Nadia zweeg. Ze kon tijdens het gesprek niks bedenken waar ze het uitgesproken zwaar mee had. Pas later die dag, toen ze Koentje na bedtijd aantrof met de iPad onder zijn laken, wist ze het. Ze kon hem geen straf geven. Dat vond ze het moeilijkste wat er was, haar zoon bestraffen. Ze had zo vaak geprobeerd hem streng toe te spreken of hem een half uur in een hoek te laten staan, maar het lukte haar niet. Zodra ze hem aankeek, viel alle boosheid van haar af. Toch wist ze dat ze hem een keer straf moest geven. Dat het goed voor hem zou zijn. Hij zou misschien een tijdje zuur zijn, maar uiteindelijk zou hij er iets van leren. Hij moest weten dat zij de baas was en niet hij. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Ze doet het licht op de overloop uit, daalt de trap af. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; In de woonkamer is het koud en donker. De avond is snel gevallen. Nadia sluit de buitendeur en kijkt de tuin in. De stekelige staart van de speelgoeddino steekt boven de rand van de zandbak uit.  

Een half uur later doet ze de lampen in Koentjes slaapkamer weer aan. Ze geeft hem geen tijd om aan het felle licht te wennen. Ze trekt het dekbed van zijn lijf en tilt hem op. Hij stribbelt niet tegen. Hij kijkt slaperig voor zich uit en mompelt iets over een dino die een stofzuiger als mond heeft en daarmee de huizen van de andere dinosauriërs schoonmaakt. Pas als ze hem beneden aan de keukentafel zet, lijkt hij te beseffen wat er gebeurt. Hij wrijft in zijn ogen en kijkt nieuwsgierig om zich heen, alsof het huis op dit uur niet dezelfde plek is als overdag. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Het is heel laat, hè?’ vraagt hij. 
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Ja,’ antwoordt Nadia, en dan: ‘Ik wil dat je goed naar me luistert. Jij gaat nu iets heel belangrijks doen.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Koentje knikt.  
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Moet ik mijn bril dan halen?’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Nee, dat hoeft niet. Zet deze maar op.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Ze geeft Koentje het T. rexmasker dat hij met carnaval heeft gedragen. Het masker is te groot voor zijn kinderhoofd. De kijkgaten zitten bij de neus, waardoor Koentje tijdens de viering op school overal tegenaan liep. De dag erna werd hij wakker met een dikke bult op zijn voorhoofd. Als hij het masker heeft opgezet, pakt Nadia een tupperwarebakje van het aanrecht. Ze zet het op tafel en tilt de deksel op. Koentje gaat op zijn knieën op de stoel zitten. Hij buigt zich over het bakje. Even is hij stil.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Evelien uit mijn klas noemt dat altijd een regenrups. Stom, hè?’ zegt Koentje dan. Het masker dempt zijn stem. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Kijk eens naar mij.’ 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Hij tilt zijn hoofd naar haar op. In de kijkgaten ziet ze niks, alleen maar duisternis. Goed, denkt ze en ze schuift het bakje naar zich toe. De worm glinstert in het schaarse licht van de afzuigkap. Hij zwiept alle kanten op en maakt vreemde letters met zijn roze lichaam. Nadia maakt een pincet met haar duim en wijsvinger, tilt het dier op en legt het in de palm van haar andere hand.  
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Ik wil dat je naar buiten gaat, lieverd.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Koentje slaakt een diepe zucht. ‘Ik zei toch dat mag niet van de meneren.’  
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Ik bepaal de regels, niet de meneren. Je gaat naar buiten of…’ Ze steekt haar hand uit naar Koentje en wijst naar de regenworm. ‘Je eet de worm op. Als jij niet naar buiten wil, dan moeten we buiten maar naar jou brengen.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Ik wil niet naar buiten!’ jammert Koentje. Hij vouwt zijn armen over elkaar, legt ze op tafel en daarna legt hij ook zijn dinosauruskop erbij.   
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Nadia recht haar rug. Ze maakt zich groot, bereidt zich voor om haar zoon streng toe te spreken en haar gezag te herstellen. Ze haalt diep adem, maar voor ze iets kan zeggen, heeft Koentje de worm uit haar hand geplukt. Hij trekt het masker aan de onderkant omhoog en tilt zijn hoofd achterover. Een tel lang laat hij het beestje boven zijn gezicht bungelen.
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Dag meneer de regenrups,’ zegt hij en hij laat het dier in zijn mond vallen. 
Nadia, in een reflex, houdt haar handen voor haar ogen. Een paar seconden is er niks, alleen haar gejaagde ademhaling en de geur van verse aarde op haar vingers, dezelfde vingers waarmee ze de worm uit de aarde groef. Ze kan zich niet meer herinneren wat ze dacht, toen ze in de achtertuin neerknielde en begon te graven. Had ze überhaupt wel iets gedacht? Had ze een plan, een duidelijke bestemming voor dat rozige dier dat zo weinig op een dier leek? Ze weet het niet meer. Langzaam laat ze haar handen zakken. Ze opent haar ogen en ziet dat Koentje het masker weer op zijn plek heeft gezet. Een oeroud beest kijkt haar afwachtend aan. 

 
Thom Wijenberg (1996) studeerde Nederlands aan de Radboud Universiteit. Hij werkt in een boekwinkel en als redacteur bij De Nieuwe Oost &#124; Wintertuin. Daarnaast schrijft hij korte verhalen die voornamelijk gaan over mensen die lijken op Thom Wijenberg. Zijn werk is te lezen op ABCyourself.&#38;nbsp;thombalabom




Lees ook:
Aanrakingen • Thijs Jooresde hond heeft nog nooit / zoveel boodschappentassen gezien / vol brokken braadworst onrust / maar als je hem aanhaalt / in het kuiltje tussen zijn ogen / kruipt hij gehoorzaam terug / in zijn mandLees verder



Lees ook:

Het zijn vriendjes • Julien Staartjes‘Het zijn vriendjes,’ zegt Mia, de zevenjarige dochter van mijn vriendin. Buiten zwaait hun grijze kater Mauro met zijn klauwen naar een wit konijn met bruine vlekken dat maar achter hem aan blijft huppelen. 
‘Katten zijn jagers,’ leg ik uit. 
‘Ze houden van elkaar,’ antwoordt Mia.  Lees verder
</description>
		
		<excerpt>←  Dag meneer de regenrupsThom Wijenberg De tuindeur schuift langzaam open. Nadia kijkt over de rand van haar tijdschrift en ziet Koentje. Hij zit in de...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Jeroen</title>
				
		<link>http://virusverhalen.nl/Jeroen</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Sat, 23 May 2020 11:22:28 +0000</pubDate>

		<dc:creator>VIRUS</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">368461</guid>

		<description>


  window.dataLayer = window.dataLayer &#124;&#124; [];
  function gtag(){dataLayer.push(arguments);}
  gtag('js', new Date());

  gtag('config', 'UA-160625483-1');


←

Een marginale kuilJeroen Hoenselaar
Niemand kwam opdagen die middag, dus ze zaten een tijdje voor zich uit te staren naar de muur. Iedereen was blijkbaar te veel met zichzelf bezig om langs te komen, dat was de enige reden die ze konden verzinnen. Het was zo’n zaterdag die aanvoelde als een zondag, Henry kon niet uitleggen waar dat aan lag. Misschien had het te maken met het grijze weer, de opvallende drukte van mensen buiten of de zoutjes, die alleen op zondag op tafel werden gezet, bij zijn oma, ’s middags na de kerkdienst. Hij vond het geen fijn gevoel; de zondag had iets treurigs, als een sombere wals bij een begrafenis. 

Na het ongeluk had hij een murwe blik op de wereld gekregen, alsof hij tien rondes had gevochten tegen een bokser vele malen sterker dan hij; zijn hersens voelden bont en blauw. Hij probeerde het te rationaliseren, ook als hij het er met Céline over had; dat hij in een shock zat die hij maar niet van zich af kon schudden. Zij praatte het dan goed, en zei dat hij er bovenop zou komen, dat het tijdelijk van aard was. Henry wist het niet zo zeker. Na het ongeluk was hij gaan twijfelen. Aan alles. Kon hij zijn eigen ogen nog wel vertrouwen? 
Céline kon hem hier niet bij helpen, hoe graag ze ook wilde, zij had niet gezien wat hij had gezien.  
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Vertel me dan precies wat er is gebeurd, ik wil je begrijpen.’ 
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; Haar instinct als verpleegkundige kwam dan naar boven, alleen dat was heel praktisch van aard en had moeite met abstracte begrippen: er waren gewoonweg geen katheters aan te leggen of kussens op te schudden. Dit was zelfs voorbij het vakgebied van de psychologen en psychiaters, hier zou eerder een filosoof of wetenschapper uitsluitsel moeten geven: de perceptie van de mens was hier aan de orde. 
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; Haar hulp werd wel gewaardeerd. Henry gaf regelmatig cadeautjes om haar te bedanken: een bosje bloemen of wat bonbons, dingen waarvan hij dacht dat ze die wel op prijs zou stellen. Ze glimlachte dan vriendelijk of gaf hem een kus op de wang. Hij wist niet beter dan dit.   

De rechercheur van het onderzoek kwam nog geregeld langs, alleen als hij in de buurt was, zoals hij zei. Het was niet duidelijk of hij dan de waarheid sprak. Céline bood hem iedere keer koffie aan, maar deze sloeg hij altijd af. Hij bleef niet lang, herhaalde hij keer op keer, hij wilde voornamelijk weten hoe het met Henry ging; of hij nog steeds van die dingen zag. Henry wees hem er telkens weer op dat het iets eenmaligs was. ‘Ik zie die dingen normaal nooit. Jij zou waarschijnlijk hetzelfde hebben gezien.’  
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; De rechercheur knikte dan alsof hij het niet geloofde. Het was niet duidelijk waar hij naar op zoek was - misschien waren het antwoorden, zoals elk mens op zoek is naar antwoorden in het leven. Henry kon hem niet meer vertellen dan wat hij verteld had tijdens het onderzoek. Hier was de politieman elke keer weer teleurgesteld over, leek het. Dan keek hij op zijn horloge en zei dat hij aan de slag moest, steeds hetzelfde grapje makend: ‘Het werkt roept als een boze moeder.’ Ze glimlachten vaak een beetje onbeholpen hierop. De rechercheur kwam na een tijdje niet meer terug.  

In zijn huis had Henry drastische aanpassingen gemaakt om zich van zijn angst af te helpen, vaak niet geheel naar het plezier van Céline, want het werd er voor haar niet makkelijker op. Toch ging ze erin mee, in de hoop dat het daarmee snel over zou gaan en dat de oude Henry zou terugkomen. 
Hij had alle tochtgaten afgeplakt, zo dicht als mogelijk: meerdere lagen tape zaten langs de kieren van ramen, over de spleten van ongebruikte deuren en op ventilatieroosters. In de slaapkamer was het raam dichtgetapet met vuilniszakken, daar mocht ‘geen grammetje licht’ naar binnen, zoals hij zei. Het hele huis werd hierdoor een zweethok. Soms maakte Céline zich zorgen over de luchtkwaliteit en als Henry zijn dutje deed, zette ze regelmatig even een raam open. Op zijn werk mocht hij niet meer komen. Zij wilden zijn aanpassingen niet doorvoeren en hadden hem gezegd dat hij pas terug kon komen als hij zich beter voelde. Hij had in de telefoon geschreeuwd dat ze dan naar de hel konden lopen. Céline had later teruggebeld en het vuurtje gedoofd. Henry zat toen leeg voor zich uit te staren.

Bij het onderzoek van de politie had hij uitgelegd dat de locatie van het ongeluk helemaal niet zo vreemd was als de hele situatie leek te zijn, dat het een normale klinkerweg was, aan de rand van de stad, vlakbij de weide van een boer met wie hij bevriend was. Dat herinnerde hij zich goed, hij had die boer een paar minuten daarvoor nog gedag gezegd. Als hij toen een praatje had gemaakt, was hij dan nog steeds de oude Henry geweest? De normale Henry? Céline zei dat het geen zin had om stil te blijven staan bij zaken waar je geen invloed op had. Hier knikte hij altijd bedenkelijk op, zijn ogen angstig. 

De politieagenten hadden er op gehamerd dat hij alle details precies vertelde, zo chronologisch mogelijk, en niks weg zou laten. Henry was er een beetje moe van geworden. ‘De vrouw is gewoonweg ongelukkig gestorven, wat wil je dat ik nog meer zeg?’ 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; De agenten vroegen het verhaal toch nogmaals te vertellen. Nogmaals, omdat ze het zelf ook allemaal niet begrepen. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Het zag eruit als een ontsnapte wolk gas. En het bewoog zich nogal vreemd voort, alsof het een bewustzijn had en kleine onderdelen van zichzelf kopieerde.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘En wat deed die wolk?’   
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Tegen het einde van het onderzoek kon Henry die vraag niet meer horen. ‘Hij omsloot haar.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘En daarna?’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Daarna was ze dood.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Maar hoe was ze dan gestorven?’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Henry haalde zijn schouders op. ‘Waarschijnlijk toch de impact van de auto.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Dat is dus niet mogelijk, Henry. Uit de autopsie is gebleken dat ze geen inwendige schade had.’
&#38;nbsp; &#38;nbsp; Henry werd hier altijd treurig van, ook omdat ze telkens bij dit eindstation uitkwamen zonder een oplossing te vinden. ‘Ik weet het allemaal niet meer, jongens. Laat me gewoon met rust, het is al erg genoeg om het er steeds over te hebben.’

De plaats van het ongeluk was tijdens het onderzoek binnenstebuiten gekeerd, had Céline gehoord, niemand mocht er meer komen. Vaak waren de agenten nog tot diep in de nacht bezig; ze mompelden daarbij zachtjes en er waren schrapende geluiden te horen. Toen het stof was gedaald en alles afgerond, bleek een kuil in de weg het enige te zijn dat nog aan het ongeluk herinnerde. Céline had hem dit verteld, ze was er een keer langs gefietst - Henry durfde er niet meer te komen. 
&#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Hoe typisch’, had hij gezegd, ‘Mijn leven is op zijn kop gezet en het enige dat overblijft is een kuil. Is dat de impact van ons bestaan? Zijn wij niet meer dan een marginale kuil in een onbeduidende weg?’&#38;nbsp; &#38;nbsp; Céline wist hier het antwoord niet op. Ze legde haar hand op die van Henry. Met een gespannen zucht staarden ze in stilte voor zich uit, terwijl buiten de schemer langzaam inzette. De zoutjes smaakten zoals ze altijd deden bij zijn oma.


 
Jeroen Hoenselaar (1981) is beeldend kunstenaar en schrijver. In zijn werk zoekt hij vaak het narratief op, zij het in beeld, tekst of de combinatie tussenbeide. Hij bevindt zich daarin graag aan de randen van de werkelijkheid en stapt regelmatig over die grenzen heen. Momenteel is hij bezig aan een roman.
 jeroenhoenselaar.nl



Lees ook:
Aanrakingen • Thijs Jooresde hond heeft nog nooit / zoveel boodschappentassen gezien / vol brokken braadworst onrust / maar als je hem aanhaalt / in het kuiltje tussen zijn ogen / kruipt hij gehoorzaam terug / in zijn mandLees verder



Lees ook:

Als je het me vraagt zal ik zeggen dat het goed gaat&#38;nbsp;• Yentl van Stokkumik weet nog steeds hoe een aanraking voelt / er landt een bij op mijn hand en ik denk niet aan afstand / ik documenteer het / het zachte lijfje de rode vacht de vleugels die broos / transparant trillen (...)Lees verder
</description>
		
		<excerpt>←  Een marginale kuilJeroen Hoenselaar Niemand kwam opdagen die middag, dus ze zaten een tijdje voor zich uit te staren naar de muur. Iedereen was blijkbaar...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Thijs2</title>
				
		<link>http://virusverhalen.nl/Thijs2</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Sat, 23 May 2020 11:08:11 +0000</pubDate>

		<dc:creator>VIRUS</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">368458</guid>

		<description>


  window.dataLayer = window.dataLayer &#124;&#124; [];
  function gtag(){dataLayer.push(arguments);}
  gtag('js', new Date());

  gtag('config', 'UA-160625483-1');


←

AanrakingenThijs Joores
1.

de hond heeft nog nooit
zoveel boodschappentassen gezien 
vol brokken braadworst onrust
maar als je hem aanhaalt
in het kuiltje tussen zijn ogen
kruipt hij gehoorzaam terug
in zijn mand
&#60;img width="70" height="71" width_o="70" height_o="71" src_o="https://cortex.persona.co/t/original/i/b2eb5c37d03462ec8df01b7ae26916190645aaa71e2ea9526f24e05370e15b27/Virusverhalen-Coronavirus.png" data-mid="927458" border="0" data-scale="2"/&#62;

2.

de gladde stok zwiept moedig door de lucht
de lede ogen van je zusje zwaaien mee
je bent een ridder en houdt met je zwaard
de gevreesde draak op gepaste afstand
op haar roze sokken schuift ze achteruit
terwijl jij heldhaftig slingert met het blad
je zet koene stappen richting het gevaar
tot je haar raakt
met harde knuffels probeer je de pijn
te blussen maar hij laait toch op
je ziet als je de loden helm af hebt gezet
een losse schub op het koele parket
&#60;img width="70" height="71" width_o="70" height_o="71" src_o="https://cortex.persona.co/t/original/i/b2eb5c37d03462ec8df01b7ae26916190645aaa71e2ea9526f24e05370e15b27/Virusverhalen-Coronavirus.png" data-mid="927458" border="0" data-scale="2"/&#62;

3.

je tenen jeuken om de deur uit
te sjokken op slippers om het gras
te voelen kietelen op hun schilferende huid
ter bescherming moet je ze toch inpakken
in wandelschoenen met een stevig profiel
de sokken houden hun zuchten
en adem in
als je de strakke veters weer afwikkelt
het schaaft
glinsterend
de open wond &#60;img width="70" height="71" width_o="70" height_o="71" src_o="https://cortex.persona.co/t/original/i/b2eb5c37d03462ec8df01b7ae26916190645aaa71e2ea9526f24e05370e15b27/Virusverhalen-Coronavirus.png" data-mid="927458" border="0" data-scale="2"/&#62;


4.

tussen jou en je ex staat een wankele tafel
enkele jaren van af en aan contact vormen
een poreuze laag isolerend schuim
het tocht in het huis waar ze niet met jou woont
je rilt en zij wil eigenlijk een dakraam met beter uitzicht
verrijking is een rekbaar begrip
onder een dekentje met iemand naar de hemel kijken
blijkbaar is je opvolger niet helderziend genoeg
je spoelt de woorden snel weg met een slok
sommige dingen zijn nu eenmaal niet te scheiden
je glas komt met een klap op het krakende hout
 

Thijs Joores (1998) volgde de bachelor Literatuurwetenschap aan de UU en is momenteel bezig met de master Redacteur/editor aan de UvA. Hij doet freelance redactiewerk en is vrijwilliger bij boekwinkel Savannah Bay in Utrecht. Eerder schreef hij voor ABCyourself en in 2018 nam hij deel aan de schrijfresidentie van deBuren in Parijs.


Lees ook:
Goed ontmoet • Thijs JooresIk ben wel eens banger geweest voor een virus.
Het is een verloren nazomerdag. Mijn ouders wilden graag met mij varen, dus ik lig te zonnen achter op het bootje terwijl zij kibbelen, vast over iets onzinnigs.Lees verder



Lees ook:
Animal Crossing: New Horizons • Willemijn KranendonkAan terugkomen denk ik / niet langer – ik heb mijn huis afbetaald, / er groeien fruitbomen / in mijn tuin. // Verveling kleeft. / Hier kan ik met buren / praten, vissen zonder schuldgevoel (...)Lees verder
</description>
		
		<excerpt>←  AanrakingenThijs Joores 1.  de hond heeft nog nooit zoveel boodschappentassen gezien  vol brokken braadworst onrust maar als je hem aanhaalt in het kuiltje...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Addy</title>
				
		<link>http://virusverhalen.nl/Addy</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Mon, 18 May 2020 11:36:23 +0000</pubDate>

		<dc:creator>VIRUS</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">367725</guid>

		<description>


  window.dataLayer = window.dataLayer &#124;&#124; [];
  function gtag(){dataLayer.push(arguments);}
  gtag('js', new Date());

  gtag('config', 'UA-160625483-1');


←

De zolderAddy Polet
Ik sta alleen op de drempel van mijn moeders huis. Het ruikt bijna als vroeger, alsof de geur van de wekelijkse gehaktballen, aardappels en boontjes samen met moederliefde in de muren is getrokken en nu moedig strijdt met oudemensenluchtjes. De zure geur van een lichaam dat zich niet meer vaak genoeg wast en verstrikt is in een dodelijke strijd die geen coronastrijd was, maar wel zo eindigde. De zoete, maar gevaarlijke geur van een steeds hogere dosering morfine en natuurlijk de geur van rubbergeschoende thuiszorg. Het huis klinkt ook niet zoals het zou moeten. Vivaldi verbergt niet langer het last-minute schoonmaken dat zo typisch mama was. En ook ontbreekt het gelach van klinkende glazen op een soundtrack van jaren ’60-rockmuziek. Het huis is stil. Mama huist hier niet meer. Maar de herinnering aan haar stem doet me naar binnen lopen.

Eenmaal de drempel over en in de woonkamer aangekomen, ga ik even op de bank zitten, links in het hoekje dat als een wipwap naar beneden zakt, omdat mama hem in de andere hoek niet meer in balans houdt. Het hele huis voelt scheef en vreemd. Zonder mama klopt het niet. Ik adem diep in en uit. Vraag stilletjes of mama er misschien is om me te helpen. 

Heel zachtjes en ver hoor ik haar fluisteren. ‘Ja.’ 
De haartjes op mijn armen staan recht overeind. Toch neemt mijn hoofd het over. De wens is vast de moeder van het geluid. Het enige dat ik hier nog kan doen, is ons verleden wegruimen.

De verhuisdozen vullen zich met spullen, terwijl het stof zich in de lucht ophoopt. Het verdriet trekt      sporen van water en zout over mijn gezicht. Om het huis normaler te maken wil ik muziek op zetten. Maar elke cd die door mijn handen glijdt, bevat mijn moeders hart. Er zit geen nummer tussen dat we niet samen hebben geluisterd, dat ik niet haatte en waar zij niet van hield of andersom. Geen nummer dat niet op de begrafenis gedraaid is of gedraaid had kunnen worden.

Dus vul ik de stilte met verhuisdozen. Op zolder valt iets om. Ik hoor iemand naar boven rennen in hetzelfde tempo als mijn moeder kon voordat ze ziek werd. Het is heus niets, vertel ik mezelf. De zolder is een grote bende, daar vallen af en toe gewoon spullen om. 

En toch. 

Als een tikkende tijdbom hoor ik toch weer de stem van mijn moeder. Alsof de rouw vandaag een spelletje pingpong in mijn hoofd speelt. Steeds een beetje luider vult ze mijn gedachtes en hoor ik haar bovenaan de trap. Maar hoe helder haar stem ook in mijn oren klettert, ze is er niet.      
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Lieverd, moet je eens kijken!’ De impuls om me om te draaien wordt steeds sterker, maar zo ook de angst dat ze juist dan van me weggenomen wordt. Alsof ik Orpheus ben, maar zonder belofte uit het hiernamaals. Haar stem is niet echt. Het gat in mijn hart is wat echt is. Ze is er niet. Echt. Ze is er niet. 

Tegen drieën zak ik uitgeput op de bank. Op mama’s plek is de bank ineens weer in balans. Ik sluit heel even mijn ogen en geef me over aan de ontspanning.
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Dido, kan je me even komen helpen?’
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Kom eraan,’ en dan sta al met één voet en mijn hart in mijn keel op de onderste traptrede. Dit kan niet gezond zijn. Mijn hart ligt aan diggelen, mijn ogen weten niet meer hoe het voelt om een nacht zonder een rivier aan verdriet te slapen en toch is er één feit dat onwrikbaar is. Mama is dood en weg. Ik kán haar dus helemaal niet horen. 

Toch hangt mijn hand besluiteloos boven de reling. Alsof mijn lichaam een marionet is van een rouwend brein. Ik zie nog maar één pad en het leidt naar mama.   

Maar mama heeft me beter dan dit opgevoed. Bij tegenslag laat je je niet kennen. Niet lullen maar poetsen, net zo lang tot elke traan is veranderd in een druppel bleek die je karakter laat glimmen. Wij zijn de alchemisten van de Cole Porterstraat. Meer dan 30 jaar heeft mama ieder pijntje bij zichzelf weggeboend om mij een mooi leven te geven. Zwichten voor gekte in de hoop haar nog één keer te zien is dan geen optie.      

Ik klik het ganglicht uit. 
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Lieverd, kom toch eens kijken!’ 
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; En voordat ik de bleek heb gevonden, ren ik de trap op. Op de overloop verandert het tapijt onder mijn voeten in het hout van de zoldertrap. Ik sleep mezelf de zolder op en wordt geconfronteerd met een berg nutteloos geworden spullen, maar geen mama.  
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Hier, lieverd.’ Haar stem klinkt vanachter het schot dat van de schuine kant een kast maakt. De plek die vroeger al de grens tussen een veilige leeshut en de woonplaats van levensgevaarlijke monsters was. De angst tekent kippenvel op mijn armen en rug. Iets klopt niet. Het gevaar loert en ik voel dat ik weg moet. De trap verdwijnt net zo snel onder mijn voeten als ik hem opliep. 

De dozen vullen zich niet meer. De woonkamer zat al tussen zes kartonnetjes gepropt en de keuken had al nooit veel spullen. Mijn oude slaapkamer is leeg dus die deur hoef ik enkel achter me dicht te trekken. Alleen mama’s slaapkamer moet nog. Daar gooi ik in recordtijd alles in openstaande dozen. Alle kleding en beddengoed gaan naar het Leger des Heils, haar boeken voeg ik toe aan mijn eigen verzameling en alleen de sieradendoos brengt me even tot stoppen. Het goud dat zich zo dicht tegen haar huid had genesteld is nog warm in mijn handen.
  &#38;nbsp; &#38;nbsp;  ‘Die zijn voor jou, lieverd,’ zou ze nu moeten zeggen. Maar het blijft angstaanjagend stil. 

Misschien is het mooi geweest voor vandaag. Misschien moet ik morgen terugkomen met een vriendin. Vraag ik haar op anderhalve meter van mij op te ruimen. Met handschoenen en Dettoldoekjes in overvloed. Dan zeg ik gewoon dat het te verdrietig was en hoeft niemand ooit te weten van de breuklijnen die in mijn werkelijkheid zijn geslagen. 
 &#38;nbsp; &#38;nbsp; ‘Liefje, kom me nou gewoon even op zolder helpen.’ 
Inmiddels ben ik te moe om haar stem nog te negeren. Het voelt niet natuurlijk. Ik moet de stem onder ogen zien en misschien kan ik haar daarmee terugvinden. 

‘Mama?’ Ik klink als een klein meisje. Ineens is er geen antwoord meer. Niets dan stilte omarmt me. De vloer verdwijnt onder mijn voeten door mijn succes en ik begin te huilen. ‘Mama?’ Luider nu, maar nog steeds hoor ik niets. Ik snik en wil me omdraaien als ik weer een heel zacht gefluister hoor. Het zou mijn moeder kunnen zijn, het zouden ook spelende kinderen in de straat kunnen zijn.  

Op handen en voeten kruip ik richting het schuifdeurtje. Bang om door een monster gebeten te worden, stop ik mijn vingers in het spleetje en schuif de deur een stukje open. Het gefluister wordt elke centimeter luider. Mijn nekharen waarschuwen me voor gevaar, terwijl mijn hart bijna overstroomt van een warmte die ik niet meer heb gevoeld sinds ik mijn moeders hand losliet. Resoluut schuif ik het deurtje nu helemaal open.

In plaats van een donker hol vol kindermonsters, stroomt warm zonlicht me tegemoet. Door het deurtje zie ik naar de camping waar we ieder jaar heen gingen, verstopt in de bossen rondom Arnhem. Ik ruik de warme geur van een zomers dennenbos. Vol met hars en zand en langzaam uitdrogende dennennaalden. Met daarachter in de verte een barbecue waarop de worstjes langzaam verschroeien tot perfectie. De lucht voelt warm op mijn gezicht. Droog en heel langzaam afkoelend, precies zoals de zomer toen ik vijf was.       

Mijn moeder zwaait zwijgend vanuit een oranje-blauwe bungalowtent naar me. Ze lijkt te zeggen Kom, ik heb eten voor je klaar staan, maar eerst nog even je handen wassen! Achter haar verschijnt oma Veenhuizen. Ook zij zwijgt en zwaait vrolijk naar me. Dag schat, als je liever pannenkoeken hebt, ken ik ze zo voor je bakken, hoor! Ook haar glimlach smeekt me om alsjeblieft naar hen toe te komen. Ik ben zo moe dat ik wil toegeven. Ik wil in een deken op het gras gaan liggen en de pijn in mijn hart en mijn schouders van me af laten glijden, het vet over de zoute worstjes zien stromen en verteld worden hoe ze hier zijn gekomen. En ik wil vooral mijn moeders stem weer horen. 

Maar ze blijft zwijgen. De volgende stap is mijn keuze geworden. Alleen haar ogen spreken nog. Ze is bang voor me. Bang voor de pijn die ik nog zal lijden als ik nu niet door het deurtje kruip. Bang wat er gebeurt als ik dat wel doe. Ik ben te jong om me bij hen te voegen. Met nog een heel leven voor me, komt deze hemel te vroeg. Maar de keuze is aan het ziekenhuisbed van mijn moeder al gemaakt. De laatste uren haar spullen verzamelen is alleen een bevestiging geweest. Het is tijd. Mama’s ogen richten zich weer op mij. Ik laat me door haar leiden als door een magische draad en zo stap ik de deur door. 


Addy (1989) werkt overdag als ambtenaar bij een ministerie, maar is eigenlijk fervent verhalenverzamelaar. Buiten gaat ze op zoek naar verhalen over vrouwen, familie en een wereld die altijd aan het veranderen is. Met pen in haar hand en ogen wijd open zoekt ze die verhalen die haar wereld bouwen. Dit is haar eerste gepubliceerde verhaal.&#38;nbsp;addypolet.com &#38;nbsp; addy_polet



Lees ook:

Als je het me vraagt zal ik zeggen dat het goed gaat&#38;nbsp;• Yentl van Stokkumik weet nog steeds hoe een aanraking voelt / er landt een bij op mijn hand en ik denk niet aan afstand / ik documenteer het / het zachte lijfje de rode vacht de vleugels die broos / transparant trillen (...)Lees verder


Lees ook:
Niemand kijkt •&#38;nbsp;Else Boer
Vandaag wil ik een nieuw format uitproberen – even iets anders. Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar ik voel me behoorlijk rusteloos en ik merk dat ik het fijn vind om mijn hart te luchten. Natuurlijk komt de content waaraan je gewend bent ook online. Ik had gewoon zin om dit te maken – je zou het een confessional kunnen noemen?Lees verder
</description>
		
		<excerpt>←  De zolderAddy Polet Ik sta alleen op de drempel van mijn moeders huis. Het ruikt bijna als vroeger, alsof de geur van de wekelijkse gehaktballen,...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
	</channel>
</rss>