Nooit alleen

Nora van Arkel


Geerta kijkt vanuit haar geruite sta-opstoel naar het nieuws. ‘Iedereen wordt geadviseerd thuis te blijven. Voor het welzijn van iedereen in Nederland, is het van het grootste nationale belang dat we dit virus indammen, de kop indrukken.’ Ze stopt met luisteren, ze heeft het allemaal al honderd keer gehoord vandaag. Ze is thuis en blijft thuis: zelfs als ze zou willen, zou ze nog niet naar buiten mogen van de verzorgers. De afdeling van Zorgcentrum Patershoeve waar ze woont wordt afgesloten met een viercijferige code, waarvan zelfs zij weet dat het maand plus jaar is, maar waarvan de verzorgers verwachten dat ze dit binnen de kortste keren weer vergeet.
    Normaal gesproken kijkt ze liever uit het raam dan naar een scherm, naar de bezoekers onderweg naar het winkelcentrum om de hoek, maar niets is vandaag normaal. Buiten is het stil. Het winkelcentrum is gesloten, net als de bioscoop en het theater. De enkeling met een mondkapje die langsloopt, is niet meer interessant. Alleen de eerste paar keer keek ze gefascineerd naar hoe zo’n kapje er nou uit zag, maar daarna begon het vervelend te worden om gezichten zonder neuzen en monden te zien, onderdelen van het gelaat die zo bepalend zijn. Vroeger kon ze eindeloos kijken naar Marco’s zachte, scheve mond – zijn kleine neus, waar hij zich voor schaamde, maar die haar van binnen deed oplichten.



De tv flikkert, vol met mensen die hun grootouders missen omdat ze niet meer bij ze op bezoek mogen, maar niet bij haar. Zij hoeft geen bezoek. Ze wil niet overgehaald worden om mee te doen met de kneuterige sociale activiteiten die het centrum aanbiedt. Ze wil niet breien, quilten, kleuren of zingen. Ze wil rustig en ongestoord in haar kamer zitten, met zichzelf en haar gedachten. Met Marco. Haar hand voelt naar de vertrouwde vorm van het medaillon om haar nek.
    Het belangrijkste voordeel van naar buiten kijken in plaats van naar de tv, is dat ze naar niemand hoeft te luisteren en geen mensen hoeft te spreken. Geerta spreekt al jaren niemand meer, behalve de broodnodige uitwisselingen van beleefdheid en dank met de medewerkers van het zorgcentrum waar ze verblijft. Ze heeft geen behoefte aan de dagelijkse beslommeringen van anderen, de voortdurende herhalingen van gesprekken over het weer, de ongemakken van het ouderdom. Ze heeft wel wat beters te doen dan alsmaar hun gewauwel aan te horen. Als ze in haar eigen hoofd verblijft, kan ze tenminste overal heen, ieder scenario doorlopen, elk persoon ontmoeten. Al ontmoet ze er eigenlijk maar één.
    Elke dag denkt ze aan haar man, haar lang verloren man. Ze leerde Marco op de meest onwaarschijnlijke manier kennen, beiden in het buitenland, beiden op werkreis voor slechts een paar dagen, ongebruikelijk voor vrouwen in die tijd. Zijn ogen openden werelden – ze kon uren naar hem kijken. Binnen een jaar waren ze getrouwd. Tien jaar later – tien prachtige jaren later – was ze weer op zichzelf aangewezen. Maar nu echt, want ze had al haar contacten laten verwateren, ze had alles op haar relatie met Marco gezet. Ze waren verwikkeld geraakt in elkaar, ze waren één persoon geworden, hadden nooit de tijd genomen om kinderen te krijgen. Ze hadden niemand anders nodig gehad dan elkaar, waardoor uiteindelijk ook niemand anders hen meer nodig had. Toen hij overleed had ze niemand gebeld. Ze had hem begraven, met als enig gezelschap de begrafenisondernemer.



Na zijn dood was ze elke week langsgegaan om verse bloemen op zijn graf te zetten. Totdat ze hier kwam wonen. Moest komen wonen. Het gebouw ligt weliswaar op nog geen steenworp afstand van het graf van Marco, maar toch mag ze niet alleen naar buiten om een bezoek te brengen aan haar liefste, wat er nog over is van haar liefste.
    Haar buurvrouw thuis bleek een nieuwsgierige klikspaan te zijn, ondanks haar zachte wangen en stille ogen. Zij had alles op zijn kop gezet, alleen maar omdat Geerta haar aardappelen had laten aanbranden, alleen maar omdat ze vergeten was om het vuur uit te zetten. Als haar aardappelen zwarte kooltjes werden, dan was dat toch haar probleem? Daar had toch niemand anders last van?



Nu zit ze op deze gesloten afdeling in de Patershoeve, tussen een stel oude klaagmachines die elke dag opnieuw kennis met haar willen maken. Ze laat de zusters en de andere bewoners maar denken dat ze dom is, vervelend. Soms maakt ze expres hardop twee keer dezelfde onaardige opmerking, bijvoorbeeld over een van de medebewoners die te hard smakt bij het eten van haar verjaardagstaartje. Eigenlijk stoort het haar niet, dat hoort nu eenmaal bij het menselijk lichaam, maar zo laten ze haar wel met rust. Het liefst zit ze de hele dag alleen op haar kamer, maar dat mag niet altijd.
    Nu, nu iedereen om de vijf minuten zijn handen moet wassen, ouderen geen bezoek meer mogen ontvangen en iedereen bang is dat zij, de bejaarden, in groten getale om zullen vallen bij het minste of het geringste, mag het wel.
    ‘Ik vind het zo moeilijk, dat ze daar gewoon boven zit, maar dat ik niet bij haar kan. Maar ik wil ook het risico niet nemen om haar te besmetten, ik snap ook wel dat dat een slecht idee is.’
    De man op de tv praat maar door, hij heeft tenminste nog iemand waarbij hij op bezoek kan. Geerta zet het geluid zachter, sluit haar hand weer om het warme medaillon, klapt geoefend met twee vingers het venstertje open, zodat ze de vervaagde foto kan bekijken. Zijn lach smeult in haar borstkas, nog altijd. Ze kijkt niet te lang, een kleine dosis is genoeg.
    Eindelijk is ze alleen op haar kamer. Daar waar ze ongestoord in haar hoofd kan bestaan. De man die niet meer op bezoek mag bij zijn moeder vond het zo erg dat hij bijna huilde op het nieuws. Maar Geerta ontvangt geen bezoek, wil geen bezoek. Het is goed zo. Perfect. Er is niemand die om haar kan huilen, haar afzondering. Ze is gelukkig hier. Ze zegt het hardop: ‘Ik ben gelukkig hier.’ Een zachte traan rolt over haar wangen, ze veegt hem snel weg met haar mouw, alsof er niets gebeurd is.



Buiten liggen de straatstenen verongelijkt in keurige rijtjes, te wachten op wandelaars, fietsers, auto’s. Maar er zijn geen gezichten te bekennen, met of zonder mondkapjes. Al uren is er niemand langs geweest om bij haar te kijken. Haar afdeling is onderbezet, er is weinig tijd voor individuele aandacht, zeker nu. Ze vindt het niet erg, dat is precies wat ze altijd wilde, fijn en rustig. Toch vraagt ze zich af hoe het gaat met Hanna, en Mettin, de verzorgers die vandaag dienst hebben, waar ze nu mee bezig zijn. Haar ademhaling stokt, waarna ze naar adem moet happen en er toch weer een traan loskomt. Marco had altijd precies geweten hoe hij over haar rug moest aaien om te zorgen dat het wegging. Bij hem kon ze altijd ademen.
    De tv toont beelden van lege schappen en lege toeristenpleisters. ‘Alles ligt plat,’ zegt een sportief geklede jongen met een lieve grote neus.
    ‘Ik vind het eigenlijk echt niet kunnen,’ zegt de jongen naast hem, met een gejaagde blik. Achter hen zijn lege straten te zien. Zou het echt zo leeg zijn? Ze leidt zichzelf af, kijkt langs de tv naar buiten, naar weer hetzelfde uitzicht, het uitzicht dat alleen verandert door de mensen die erin zouden moeten lopen. Het uitzicht dat nooit meer kan laten zien wat ze wil zien.
      Geerta veegt nog een paar keer met haar mouw langs haar gezicht en haalt diep adem. Ze pakt haar stok van naast het tv-meubel, schuifelt door de gang en luistert of ze Hanna en Mettin hoort. De douche klinkt in de kamer van mevrouw De Vries, daar zijn ze vast nog lang mee bezig. Haar hand trilt als ze de toetsen naast de deur indrukt. De deur klikt open. Buiten schijnt de zon, maar er is niemand om ervan te genieten. Iedereen zit binnen, achter glas, achter een scherm, alleen. Allemaal tegelijk. Ze loopt stap voor stap verder van de voordeur vandaan, voorzichtig elke keer dat ze de ene voet voor de andere zet. De lucht voelt lichter, zachter dan ze verwacht had in een land met crisis. Pas als ze de hoek om is gelopen, het hek van de begraafplaats door is gegaan zonder het aan te raken, houdt ze halt bij het bankje tegenover het graf van Marco. Ze laat zich zakken op het stuk zachtgeschuurde hout dat precies in de zon staat. Het maakt niet uit dat ze niet zeker weet of ze nog zonder hulp overeind kan komen. Ze sluit haar ogen en laat de zon zijn spel spelen met haar oogleden. Het glittert en glimmert nog net zo mooi als vroeger, als toen ze met Marco in het park picknickte, midden op het met madeliefjes bedekte grasveld voor hun huis. Bijna voelt ze zijn hand weer op de hare, de warmte, zijn stem in haar oor.


Nora van Arkel schrijft fictie, essays, gedichten en toneel. Ze is redacteur bij Hard//hoofd, stond op de longlist voor de Joost Zwagerman Essayprijs 2019 en schrijft tekstkritieken voor de Theaterkrant en Awater. Daarnaast studeerde ze Engelse literatuur aan King’s College London en proza en toneel aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Onlangs schreef ze twee verhalen voor Project Antarctica van De Groene Amsterdammer.
Hard//hoofd   noravanarkel


Lees ook:
Feestje met mezelf • Nicole Kaandorp
Lieve Eline,
Dit is het. Drie weken niemand meer zien. Echt ziek ben ik niet, maar met milde symptomen moet je thuis blijven, dus ik doe wat ze zeggen. ‘t Is geen tijd voor nonchalance, kijk maar naar de vlogs van de Italianen.
Lees verder



Lees ook: De oerman en het zout • Roddia RumahloineSix things you need when shit hits the fan. Thomas bekijkt de Amerikaanse website met plaatjes van vijf soorten vuurwapens en één mes. Hij schudt zijn hoofd, klapt zijn laptop dicht en begint aan de boodschappenlijst. ‘Wil je liever een enorme voorraad rijst of pasta?’ vraagt hij.
Lees verder