En van saffraan is Janneke-maan

Joost Oomen


Nieuwe maan
Het afgelopen jaar werd ik steeds vaker wakker uit Russische dromen. Mijn moeder spreekt in die dromen Russisch tegen me, terwijl ze mijn knalgele laarzen uitklopt tegen de deurpost van de schuur. Eén van mijn broertjes staat in de achtertuin met een mond vol hardgekookt ei. Hij spreekt mijn naam uit met een Slavisch accent en roept ‘kom, kom, kom,’ waarbij kleine vlokjes eigeel uit zijn mond de tuin in vliegen en op zijn lippen blijven kleven. Mijn andere broer gooit een grijze softbal in de lucht.
    200 meter. De Russische stem in mijn rechteroor geeft cijfers en bevelen door aan mensen die honderden kilometers hiervandaan voorovergebogen op een bureaustoel zitten. Ze voeren de cijfers en gegevens in op hun computers en bekijken het effect op een groot scherm dat aan de voorkant van de half verduisterde zaal hangt. Op dat scherm ben ik te zien, samen met Oleg, dicht op elkaar gepropt tussen de witte apparatuur en de zwarte schermen in onze maanlander. Onder mij ontbranden tien remraketten en mijn gezicht verstrakt heel kort van schrik.
    100 meter.
    50 meter. Ik trek een hendel naar me toe, druk op twee knoppen en voer een groep cijfers in. Er valt zonlicht op mijn hand op het toetsenbord. Zonnestralen, honderden kilometers hiervandaan opgewekt en door een vacuüm naar de maan gezonden, vallen op mijn huid uiteen. Het voelt warm.
    10 meter. Ik denk aan een aapje. Of eigenlijk denk ik aan een sleutelhanger die ik vroeger aan mijn fietssleutel had, die sleutelhanger was een plastic, bang kijkend aapje. Ik ben waarschijnlijk de eerste astronaut die aan een plastic aapje denkt terwijl hij richting de maan afdaalt. Ik probeer mij Neil Armstrong voor de geest te halen, die houterig de trap van de Apollo afdaalt en met krakerige radiostem belangrijke dingen zegt. Neil Armstrong die over de maan rondhupst, Neil Armstrong die in zijn witte pak een steen opraapt, Neil Armstrong die met moeite een vlag in het maanoppervlak steekt. Maar als ik het gezicht van Neil Armstrong in zijn ruimtehelm voor me zie, zie ik achter zijn spiegelende vizier het bang kijkende aapje.
    1 meter. Ik denk aan mijn moeder die voor het slapen gaan zegt dat ze de maan op gaat eten.


Wassende maan
‘Goedemorgen,’ zegt Oleg. ‘Hoe gaat het vandaag?’

Onze tomatenplant groeit raar omdat het een aardse tomatenplant is die niet begrijpt hoe de zwaartekracht van de maan werkt en Oleg is een Rus. Oleg zegt elke ochtend goedemorgen tegen onze tomatenplant. Hij meet met een meetlint de stengels en bladeren en voert de uitkomsten vervolgens in in de computer. Omdat de tomatenplant in een bak op Olegs werktafel staat en niet op de mijne, is de tomatenplant een Rus en geen Amerikaan. Het is niet de bedoeling dat ik ook goedemorgen zeg. Sinds we hier zijn geland hebben we drie tomaten kunnen eten. Twee keer heeft Oleg de tomaat geplukt, één keer mocht ik het van hem doen. Ze smaken hetzelfde als tomaten thuis, maar ik zeg tegen Oleg dat ze anders smaken en ik noem enthousiast gerechten op die beter zouden smaken wanneer je ze met maantomaat bereidt.

Ik: Spaghetti met maantomatensaus!
Oleg: (grinnikt)
Ik: Gevulde maantomaat met gehakt! Omelet met maantomaat en maaneieren!
Oleg: (grinnikt niet, gaat door met meten)

Van NASA heb ik een proef in een klein doosje meegekregen. In het doosje zit een deeltje en dat deeltje is quantumverstrengeld met een deeltje op aarde, in Houston vlakbij huis. Omdat Oleg elke ochtend goedemorgen tegen zijn tomatenplant zegt, ben ik begonnen om aan het eind van de middag ‘tot morgen’ te zeggen tegen het deeltje in het doosje. Als je tot morgen tegen een quantumverstrengeld deeltje in de ruimte zegt, zeg je dat automatisch ook tegen haar tweelingzusje thuis.


Eerste kwartier
Oleg en ik zijn getraind in de Gobi-woestijn. Oleg verbrandde in de zon terwijl hij een allesbeschermend pak droeg, ik werd wagenziek in de jeep die ons naar de testlocatie reed, maar ik durfde het niet te zeggen uit angst geen astronaut meer te mogen worden. ’s Nachts was het ijskoud in de woestijn en de Melkweg hing als een kilometers brede feesttent over ons heen. Ik wilde er zachtjes blokfluit voor spelen, maar ik droeg een ruimtehelm.

We verbleven een maand in een precieze replica van ons toekomstige maanonderkomen. Twee grote containers, één om te slapen en één om te werken. De hele maand mochten we alleen via de computer en de radio contact met de onderzoekers onderhouden, als we ze met gereedschap of meetapparatuur rond ons huis zagen rondscharrelen, moesten we doen alsof we ze niet zagen.

Op een nacht werden we via de radio naar buiten gestuurd. We moesten een test gaan doen met nieuwe titanium scheppen en een zonnebatterij. Buiten waren grote bouwlampen neergezet die een cirkel van licht om onze containers maakten. Het was volmaakt windstil. In het midden van de cirkel moesten wij een gat proberen te graven met onze witte ruimtepakken aan.

Toen we een half uur aan het graven waren, verscheen er aan de rand van het licht een dier. Het was een ezel. Ik probeerde geen acht op het dier te slaan en ging verder met graven, maar de ezel bleef waar hij was. Lichtgrijs en met ogen groot en glanzend als pasgewassen pruimen bleef het dier ons gadeslaan terwijl wij met onhandige bewegingen in de grond groeven. De ezel droeg geen halster, er zat alleen een oud, verweerd touw om zijn nek. De schaduwen van zijn ribben staken scherp uit in het bouwlamplicht, je kon goed zien dat hij honger had.

Plotseling verscheen een jonge onderzoeker uit het team dat ons begeleidde in de cirkel van licht. Hij zei niets tegen ons en wij bleven braaf graven om de test niet te onderbreken. Hij liep met een zware zaklantaarn richting de ezel. ‘Weg! Weg!’ riep hij naar het dier, maar de ezel verzette geen stap. ‘Weg! Weg!’ riep hij dichterbij komend en met zijn vrije hand wapperend. De onderzoeker zette nog een paar stappen dichter naar de ezel toe zodat hij nu naast het dier stond en begon hem tegen zijn hals te duwen om de ezel met zijn kop richting het donker te krijgen.

Het dier zette zich schrap in het zand. De onderzoeker scheen de ezel met de zaklamp in zijn ogen, maar toen ook dat niets hielp knipte hij de lamp uit en draaide hem om, pakte hem vast als een knuppel. Hij liep om de ezel heen en bleef staan naast het heupgewricht boven de ezels achterpoten. Hij zwaaide zijn arm ver achteruit alsof hij een tennisbal wilde weg slaan, alleen was er nergens een tennisbal en eindigde de boog van de zaklamp met een harde klap vol op de heup van de ezel. De ezel krijste, balkte hoog door de nacht. Ik liet mijn schep vallen, maar raapte hem direct weer op. Het geluid van vier hoeven die op de droge woestijngrond ver van ons wegrennen.

Er zijn nergens ezels op de maan. Op de maan zijn Oleg en ik en verder niets met grote pruimenogen.


Volle maan
Oleg houdt een voetbal vast. Hij zit voor een camera in ons woonvertrek en hij gooit de bal van zijn ene naar zijn andere hand. In het Russisch zegt hij tegen de camera dat ze zelfs vanuit de ruimte trots zijn op het voetbalteam van zijn land en de bal in Olegs handen gaat trager heen en weer dan hij op aarde zou doen. Oleg heeft een blauw, rood, wit vlaggetje op zijn gezicht getekend. Hij zet de camera uit en gaat weer aan het werk, met het vlaggetje nog steeds op zijn wang.

De maan is veel kleiner dan de aarde en veel groter dan Olegs voetbal. Na een intensieve G-krachtcursus van achttien maanden werd ik samen met mijn astronautenklas door NASA naar Hawaii gestuurd om uit te rusten. Sommigen van ons vonden het heerlijk, zij liepen op flipflops en omhangen met bloemenkettingen langs het zwembad. Ik lag met een boekbewerking van de StarWars-films op een ligbed en brandde mijn bovenbeen aan het door de zon opgewarmde witte plastic. Ook al zag ik het niet wanneer ik aan het zwembad lag, ik wist precies waar het strand van Hawaii eindigde en de blauwe, diepe oceaan begon. Ik denk dat dat me ergens benauwde, maar ik besloot het aan niemand te vertellen.

Vandaag moet ik buiten werken, ik trek mijn witte pak en laarzen aan. Ik pomp het pak op, stap in de luchtsluis en wacht totdat de deur automatisch open gaat. Buiten loop ik de metalen trap af die van top tot teen bedekt is met statisch maanzand. Ik kan mij voorstellen hoe het kraakt onder mijn voeten, maar ik hoor dat niet. Voor mij strekt een zwarte krater zich uit en verder het grijze, bijna melkwitte niets tot aan de kromme horizon. Boven de horizon zweeft de aarde. Ik kijk naar haar, leg mijn hand als een kommetje onder haar en doe alsof ik haar vasthoudt, zoals Oleg met de voetbal deed. Mijn arm strek ik helemaal uit. Met mijn duim beweeg ik zachtjes over de plek waar mijn huis staat. Ik stel mij voor dat mijn moeder in de achtertuin staat en naar boven kijkt, mijn duim aait de lege maanlucht.

Als ik weer binnenkom, staat Oleg onder de douche. De voetbal ligt onder zijn werktafel. Op de mijne ligt op een deksel van een bakje een halve tomaat.


Laatste kwartier
Omdat er buiten een zonsverduistering is, hebben Oleg en ik een dag vrij gekregen. Oleg bekijkt een hem toegestuurde samenvatting van de wedstrijd die zijn land gisteren met 7-1 verloor. Ik bak een brood.

In onze basis is geen oven en geen meel, al het water wordt gerecycled en is streng gerantsoeneerd. Dus gebruik ik een lege curverbox als oven, een hoop zelf gescheurde snippers is mijn meel en een lege fles water gebruik ik als een volle fles. Alle ingrediënten meet ik heel nauwgezet af op de weegschaal die normaal op mijn werktafel staat. Ik heb met gewassen handen de papiersnippers gekneed, ik zet een kookwekker voor de juiste tijd dat mijn brood in de curverbox moet staan.

NASA zegt: als je een verlangen naar huis voelt, bekijk dan foto’s van familie en vrienden
NASA zegt: als je een verlangen naar huis voelt, blijf dan goed eten en bewegen
NASA zegt: als je een verlangen naar huis voelt en het is heviger dan een ‘normaal’ verlangen, gebruik dan de VR-bril met de door jou gekozen omgeving.

Terwijl mijn brood in de oven staat, zit ik naast de curverbox met de VR-bril op. Ik ben in het huis van mijn moeder en zit naast het aanrecht. Mijn moeder heeft vijf paprika’s opengesneden en de pitten eruitgehaald en terwijl ik naast het aanrecht zit vult ze ze met een mengsel van tonijn, kappertjes, rode ui en mayonaise. Ze draait zich naar me om, lacht en zwaait naar me en zegt ‘dag lieverd’. Ik zie dat er vijf gewassen nectarines in het rode plastic vergiet in de spoelbak staan. Ik zie dat er vijf diepe borden afgewassen in het afdruiprek staan. Mijn moeder maakt de kapjes van de paprika’s met satéprikkers weer vast aan de nu gevulde paprika’s, trekt twee lichtblauwe ovenhandschoenen aan en schuift de vijf paprika’s in de oven.

De kookwekker loopt af. Als ik het bakje met het brood van snippers uit de curverbox haal, gooi ik het direct in de prullenbak voordat Oleg klaar is met voetbal kijken.


Krimpende maan
Ik hang ver boven de leegte. Alle sterren zijn uit de hemel gewassen, wat overblijft is een strak, zwart laken. Als je er in het midden een biljartbal in zou laten vallen, zou er een kuil ontstaan van vele lichtjaren diep.

Het is geen biljartbal die valt. Het is een melkwitte, schijnende volle maan die in het midden van het zwarte laken van de hemel neerploft. Precies onder mij trekt de maan een steeds dieper wordende kuil. Hoe verder de maan van mij vandaan valt, hoe kleiner hij wordt. Totdat de kuil met de maan onderin zo diep is dat de maan een schijnend speldenknopje is geworden. Dan dooft ook dit speldenknopje uit en ik begin te vallen.


Nieuwe maan
Oleg is vandaag vader geworden. Hij is heel blij. Zijn Russische glimlach, smal en met dunne lippen, is op alle tv’s op aarde te zien. Oleg heeft via de camera naar zijn dochter gezwaaid, het meisje hebben ze Loena genoemd. Buiten heeft Oleg met zijn laars de naam Loena in het zand geschreven en ik heb hem daarnaast op de foto gezet. In de reflectie van zijn helm was de aarde te zien. Oleg stak zijn duim op.

Loena’s gezicht is rond. Voor de camera begon ze eerst heel hard te huilen met samengeknepen ogen en een kromgetrokken mond. De verbinding was slecht en het huilen bereikte Oleg in schokken, waardoor hij afwisselend op de verbinding vloekte en blij glimlachte naar Loena. Loena hield op met huilen. Twee grote ogen kijken naar een vader die duizenden kilometers verderop op een klomp stof woont. Loena weet dat niet, Loena ziet alleen de kleurtjes van het scherm voor haar neus. Oleg weet dat wel. Oleg steekt zijn hand uit naar het computerscherm en aait met zijn wijsvinger de wang van het kleine baby’tje op het scherm.


Nieuwe maan
De maan ruikt naar buskruit en ik heb vanochtend een foto van twee kipnuggets geprint en boven mijn bed gehangen. De ene kipnugget zegt tegen de andere kipnugget ‘Why did the chicken cross the road?’ Er hangt geen antwoord boven de andere kipnugget.

Dat van dat buskruit weet ik omdat het stof van de maan aan onze pakken kleeft en door elke kier in onze containerwoning naar binnen probeert te dringen. Als het eenmaal binnen is reageert het met zuurstof en deze reactie ruikt naar buskruit. De eerste paar dagen kwam ik niet van het gevoel af op een reusachtige bom te wonen, maar inmiddels merk ik het bijna niet meer. Oleg en ik hoesten veel door het stof, het stof voelt alsof je een persoonlijke woestijn achter je huig meezeult. Als Oleg mij niet uit mijn slaap hoest, hoest ik hem uit de zijne. Ik hoor hem door de wand van mijn slaapcabine heen. Het is donker in de container, maar toch heb ik met een beetje licht schemer gemaakt. De acht uur rust zijn ingegaan, maar buiten schijnt de zon van de maandag en ik laat haar door een heel klein kiertje binnen.

Op mijn rug, op mijn bed, kijk ik naar de geprinte kipnuggets en ik denk erover om ze namen te geven. Ik weet niet waarom ik ze heb geprint. Zo’n leuke grap is het niet en ik heb ook helemaal geen zin in kipnuggets. Ik wil een nectarine. Een diepgele, kledderige nectarine. Waarom is de maan niet meer diepgeel? Vroeger was ze diepgeel, als kaas. Ik wil niet meer in een grijze, stoffige kattenbak wonen waar nog nooit iemand van een nectarine heeft gehoord. Stiekem geef ik één van de kipnuggets de naam nectarine en ik ga met blote voeten op mijn bed staan om haar een kus te geven voordat ik ga slapen.


Wassende maan
Op de maan ligt de Oceaan van de Stormen naast de Baai van de Dauw. De Baai van de Dauw ligt naast de Zee van de Koude met tussen hen in de Regenboogbaai. Helemaal aan de andere kant liggen de Zee van Nectar, de Zee van de Rust, de Zee van de Vruchtbaarheid en in het midden van de maan ligt de Nevelenzee. Er is een Meer van Blijdschap op de maan, een Dromenmeer en zelfs een Meer van de Eenzaamheid.

In alle meren, zeeën, oceanen en baaien op de maan is geen enkele druppel vloeibaar water te vinden. Ze bestaan uit miljoenen kilo’s uitgeharde lava bedekt met een laag fijn zand en stof. Op de bodem van de zeeën zijn kraters geslagen door meteorieten. Op de bodem van die kraters is het stil. In elke uithoek van de zeeën is het stil. De bergketens die tussen die zeeën in liggen zijn oorverdovend stil. Nergens op de maan is enig geluid, zelfs geen zuchtje wind. Oleg en ik, wij zijn het enige dat geluid maakt. Dat leeft.

Oleg slaapt. Ik sta in zijn slaapvertrek. Ik heb de schuif voor zijn raam een heel klein beetje opengezet zodat er via de spiegels op de bovenkant van onze stofiglo een streepje zonlicht naar binnen valt. Ik kan Oleg zien liggen en ik zie dat Oleg niet van mij wakker wordt. Hij slaapt met één voet buiten de lakens, zijn linkervoet. Omdat Oleg op zijn rug slaapt, staat zijn voet recht omhoog. Ik sta bij Olegs voeteneind op tien centimeter van zijn voet.

Ik steek mijn wijsvinger uit. Heel voorzichtig zonder geluid te maken beweeg ik mijn wijsvinger richting de grote teen van Oleg. Ik raak hem aan, kijk of Oleg reageert, maar hij beweegt niet en slaapt rustig door. Met mijn wijsvinger aai ik langs de zijkant van Olegs teen, net zoals Oleg Loena’s wang op het scherm aaide.

Sommige dieren leven hun leven lang in dezelfde kudde en een kat duwt zijn rug tegen een tafelpoot om het gevoel te krijgen dat iemand hem aait. Een vader tilt zijn pasgeboren dochter op richting de wolken en een moeder windt verstrooid een pluk haar in de nek van haar tienerzoon rond haar vinger. De bakker raakt de hand van de oude vrouw aan wanneer hij haar over de toonbank een brood aangeeft, de tijdschriftverkoopster legt een toerist de weg uit terwijl ze één hand op zijn rug legt en met de ander in de verte wijst. Je moet in de wereld heel ver uitzoomen om niets meer hebben om te aaien, want alleen de aarde zelf hangt in het niets.

Terwijl ik over Olegs teen aai, opent hij langzaam zijn ogen. Zijn ogen zijn droog van het maanstof, hij wrijft erin, maar kijkt mij dan recht aan. Hij zegt niets. Hij grinnikt niet.


Eerste kwartier
En de Amerikaanse Ernie zingt:

Well, I’d like to visit the moon
On a rocket ship high in the air
Yes, I’d like to visit the moon
But I don’t think I’d like to live there

Though I’d like to look down at the earth from above
I would miss all the places and people I love
So although I might like it for one afternoon
I don’t want to live on the moon


Blauwe maan
In de vroege ochtend loop ik de trap naar het perron van de metro af en een vrouw van een jaar of vijftig loopt mij tegemoet. Omdat zij de trap oploopt en ik de trap af, kijk ik per ongeluk in de decolleté van haar zomerjurk. Ze heeft vier moedervlekken en haar huid is bruin van de zon. Op de bruine huid flikkert een zilveren maantje aan een leren veter.

Ik kom uit een ander station weer omhoog en loop in de zon.

In de zon adverteert elke bakker met zijn beste croissants. Sommige bakkers hebben een grote plastic croissant aan hun gevel geschroefd. Hun sikkelvorm tekent scherp af tegen de blauwe lucht.

Ik ga in een klein park naast een rotonde zitten. Het midden van de rotonde is een zwarte leeuw waar alle auto’s in bewondering omheen draaien.

Er draaien twintig satellieten om de maan.

Toen ik naar de maan werd afgeschoten, reisde ik met 58.000 kilometer per uur door helder zonlicht richting de maan. Omdat ik als ik op deze snelheid op de maan zou landen op het oppervlak te pletter zou slaan, werd ik in een baan eromheen gebracht om veilig af te remmen. In die baan vloog ik eerst in het licht, aan de kant van de maan die vanaf de aarde altijd zichtbaar is. Maar op een gegeven moment verdween dat licht. Ik vloog het donker in. Radiocontact verdween, internet sijpelde weg en opeens was ik zover achter de maan dat al het contact met de aarde verdwenen was. Links van mij waren de sterren, die niet schitterden zonder atmosfeer en rondom die sterren was het allerzwartste niets. Rechts van mij was de maan. Ik kon haar niet zien, het was donker. Maar de maan trok mij naar zich toe. De enige verbinding die ik met iets anders in dit universum had was een zwaartekrachtverbinding tussen mij en de maan.

Deze tekst verscheen eerder in het tijdschrift DWB-Magmakamer en werd gemaakt tijdens de Parijsresidentie van Vlaams-Nederlands cultuurhuis deBuren.


Joost Oomen (1990) is dichter en schrijver. Hij publiceerde de poëziebundels Vliegenierswonden en De stort en maakte de vinylsingle Joost Oomen. Joost is een begenadigd performer en trad onder andere op bij Crossing Border, Lowlands en het Gedichtenbal. Hij programmeerde voor de festivals Dichters in de Prinsentuin en Explore the North. In 2016 verscheen bij Wintertuin Uitgeverij zijn chapbook De zon als hij valt. Joost werd geselecteerd voor CELA, een ontwikkeltraject voor schrijvers en vertalers uit zes Europese landen. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman en aan een derde dichtbundel die bij Uitgeverij Querido gaan verschijnen.
www.joostoomen.com   joostoomen   Joost Oomen

Steun deze auteur!


Lees ook:
Langzaam word ik meegesleurd • Hilde Kerssies-Booij
Antwoorden roepen vragen op / niemand kan alles precies weten / we zijn geen pandemie gewend / beste stuurlui die het beter weten.
Lees verder


Zie ook:
Even helemaal tot rust komen • Marion Bruinenberg
Alleen is niet eenzaam. Alleen is jezelf ontwikkelen, gitaar leren spelen, eindelijk dat boek over je leven schrijven, een driegangenmaaltijd bereiden, je eigen moestuin aanleggen, naar klassieke muziek luisteren, je kledingkast uitruimen (...)
Lees verder