Aanwezigheden (die keer dat ik de laatste persoon op aarde was)

Marthe van Bronkhorst


Ik werd wakker en merkte dat ik de laatste was. Ze hadden niet gewacht.
     Nat. Alles aan me was nat en warm, maar ik zweette niet. Het duurde even voor ik het me herinnerde. Ik smolt.
     Zodra ik weer wist hoe ik mijn nek moest draaien, draaide ik mijn nek. Ik probeerde de pijn te laten wegsijpelen. Een straaltje smeltwater gleed uit mijn haar. Ik volgde hoe het langs mijn arm van mijn elleboog droop. Ik stak mijn been uit de koelbox, mijn opgepropte lijf plakte aan de wanden die in de zon waren gaan gloeien. Het straaltje voegde zich bij een druppende gletsjer op mijn broekspijp en toen over kippenbouten, sinaasappelschillen, plastic puddingverpakkingen en klokhuizen, het droop van een hoog plateau dozen af, stortte zich in een dal van etensresten en stof, een berglandschap tekende zich af zo ver ik kon kijken, dit waren de duinen, de Alpen, de Pyreneeën, ik had nog nooit zo veel afval gezien.
     Ik liep door de resten van mijn medemensen naar een trillende horizon.
     De sondes waren vertrokken, het zoemen was gestopt. Ze hadden niet op me gewacht. Ze hadden niet gewacht.
     Zelfs de lijkensondes waren weg. De sirenes, de alarmen. De shuttles, de vliegtuigen, er was geen enkele reddingsheli. Ik keek naar de lucht, het leegblauw gaf me hoofdpijn. Het was weg. Er was niemand meer.
     Ze hadden het keurig gedaan.
     Efficiënt ook. Zo efficiënt, zo hypersteriel en ordelijk als ze bij de uitbraak waren geweest, zo waren ze ook bij het opruimen. Afval lag bij afval, graven lagen bij graven, mondkapjes en reinigingsdoekjes waren apart gestapeld, zelfs het meeste plastic was gescheiden. Ik kwam maar twee lichamen tegen, denk ik, ik durfde niet te kijken. Maar over het algemeen was er een duidelijk systeem in de stapels afval. Ik had ineens heimwee. Dit waren wij mensen. Hier waren wij goed in.

De straten waren stil als op een late nieuwjaarsochtend. De eerste boomstronken schoten tussen de straatstenen omhoog. Uit de putten groeide iets mosachtigs. Klimop claimde haar eerste winkelruiten.
     Vrij snel had de mens plaatsgemaakt.
     Ik wist nog niet dat er nog meer was dan de planten, de klimop, het mos dat overal woekerde.
     Hoe er soms een stilte viel in de stilte. Daaraan voelde ik het.

Dat Inari een fysiek noch transcendentaal wezen was, voorkwam niet dat hij me de hele weg naar het centrum volgde.
     Dat moet ik uitleggen:

Geluid, een teken, daar hoopte ik de eerste uren nog op. Vlak na de vuilnisbelt vond ik op een bankje een blauw vest van Zeilvereniging Kon-Tiki, aldus het logo. Ik trok Kon-Tiki aan. In de zak zat een sleutelring waar één gebroken sleutelkop aan was blijven zitten en verder alleen een sleutelhanger van een tempel. Geen sleutel. Toch nog een huis. Wat zou ik ervoor hebben gegeven om een dier te zijn nu, dacht ik ineens. Een rat zelfs nog. Dat je nog iemand tegen kan komen, ook al staat zijn kop je niet aan. Iemand.
     Ik weet niet of het de dorst was die me al die uren voortdreef.
     Ik weet niet hoe veel uren daarvan het ding me al volgde.
     Ik wist toen ook nog niet wat voor plek ik binnenging. Pas toen hoorde ik het geluid.
     Er schoot wat achter me langs. Een lelijk kop-hals-rompachtig wezen, dat het midden hield tussen een hond en een kat, kwam scharrelend tevoorschijn.
     Het rende weg.
     Ik volgde het. Honger en dorst leidden me. Er was in dit stadium geen sprake van bewuste keuzes maken. Nooit gedacht dat zon en slierten afval geplakt aan je benen en woede en enorme honger zo’n pijn kunnen doen bij het rennen, nooit gedacht dat ik zo graag water dronk. Het harige misbaksel stond te kwispelen bij een leeglopende jerrycan op een vrachtwagen. Water. Ik dronk. Ik vergat.
    
‘Goed gezien,’ zei ik met een klopje op het beest, dat bij nader inzien meer op een kat, nee toch meer op een hond, leek. Bij wijze van antwoord kreeg ik een soort nies. Geblaf kon ik het niet noemen: ‘NnnaRI. NnnnaRI.’
     ‘Heet je Ina of Nari?’
     ‘Nnja njaa-RI.’ Het weigerde normale katten- of hondenklanken uit te stoten.
     Ina of Nari achtervolgde nu zijn eigen staart, zodat hij op een oneindige slang leek, inarinarinarinarinarinarinarinarinarinarinarinari.
     Ik keek van een afstandje hoe Inari likte aan het straaltje water. Hij likte aan het straaltje en ik zag dat het door hem heen stroomde.
     Maar ik had hem net nog geaaid. Het was echt zo, het water maakte hem niet nat, de wind die opstak beroerde zijn vacht niet en toch had ik zijn vacht aangeraakt.

Inari en ik sliepen samen op een kerkbank. We stonden samen op. We zochten samen ontbijt en vonden in een lege avondwinkel suikerwafels en pesto. Ik rekende niet af (we gebruikten wel een mandje). Ik at, Inari kwispelde. In één van de verlaten supermarkten zag ik iets wegschieten wat op een kangoeroe leek.

Dat Inari de eerste aanwezigheid was, begreep ik later pas. Langs het bankje waar we zaten, vloog een vlucht vreemde, nieuwe vogels voorbij, paradijsvogels, sommige zo doorschijnend als vlinders. Toen stapten de kleurrijke paarden voorbij, daarna kwamen de wolken bijen, toen de schaduwen van mensen. Ik zag ook vormen die net als Inari niet op bestaande dieren leken. Ik zag ook vormen die noch op mensen noch op dieren leken. Stenen, windvlagen, waterrimpelingen, libellepropellors, rupsbanden, hefbomen, springveren, luchtspiegelingen. Een hele karavaan trok voorbij.
      Ik was bang. Maar ze lieten me met rust. Ze hadden hun eigen plekje, daar hingen ze wat rond, af en toe bewogen ze. Ik denk dat ik ze altijd al gehoord heb, maar ze eerst niet kon verstaan. Ze communiceerden in een zangtaal die klonk alsof ik hem ooit gekend had maar weer vergeten was. Ik kon nog niet met ze praten, maar Inari wel – niezen althans.

Ik besloot hun taal te leren.
     De volgende dag en de dag daarna kwam de sonde ook niet terug om me op te halen. Op dag twee concludeerde ik dat Inari toch definitief een kat was (kopjes). Ik herzag die beslissing op dag 4, 7, 9, 11, 12, 14, en 17 (kwispelen).
     De stad wordt elke dag groener. Het zoemt van gebladerte en gevogelte en gekruip. De leegte die ik had verwacht te voelen, maakt plaats voor iets anders.
     Aanwezigheden.

Marthe van Bronkhorst schrijft, acteert en werkt als psycholoog. Ze woonde een tijd in Amerika, sloot zich aan bij een kungfuschool, een poëziegroep, ontsnapte aan een rijdend circus en schrijft nu verhalen voor Red Pers, Digressions en El Hizjra.
   lamarquisemarthe


Zie ook:
Sluitingstijd • Felix Sandon
Het eerste wat je aan de voordeur opviel toen je hier één jaar geleden kwam wonen, was dat ze niet zomaar kon dichtvallen. Je moest wel erg hard trekken aan dat onding om haar te sluiten. Dat bood een geruststellend gevoel: nooit zou je je immers buitensluiten
Lees verder


Lees ook:
Goed ontmoet • Thijs Joores
Ik ben wel eens banger geweest voor een virus. Het is een verloren nazomerdag. Mijn ouders wilden graag met mij varen, dus ik lig te zonnen achter op het bootje terwijl zij kibbelen, vast over iets onzinnigs.
Lees verder