Wandelen

Wouter Degreve


Aan de overkant van de straat staat een zwerver die op Snoop Dogg lijkt. Hij drinkt een halve liter bier, hij drinkt met grote slokken. Op één-twee-drie heeft hij zijn blikje leeg en steekt het dan in de lucht, alsof hij net een Oscar gewonnen heeft. Krraaa, kraaa roept de zwerver luid. En ik roep terug. Krraaa, kraaa, roep ik. Ik weet ook niet waarom. Ik maak me uit de voeten.



Soms denk ik: op een dag word ik zwerver en dan zoek ik een hond en dan ga ik voor de rest alleen nog maar met een blikje bier in de zon van het leven genieten.



Een vrouw van de meditatiegroep heeft gezegd dat wandelen sowieso goed is voor een mens. Je zal zien, zei ze (ze sprak met een heel zachte stem, alsof ze bang was dat iemand ons zou horen), wandelen zet de dingen weer in het juiste perspectief. (Ik wist niet wat dat betekende, het juiste perspectief, ik weet nog dat ik lichtjes panikeerde.)



Ik kijk naar het uur op mijn telefoon. Het is half elf, en alsof ze dacht: half elf is een mooi uur om te passeren, komt er een meisje met rode wangen langs op de fiets. Ze trapt hard op de trappers, alsof ze weet waar ze heen wil. Ze kijkt voor zich uit. Ze ziet me niet. Ik denk aan een gedicht van K. Schippers (ik noteerde het ooit in een schriftje dat ik daarna weer ben kwijtgeraakt. Ik raak alles kwijt. Het gedicht staat gelukkig in mijn geheugen gegrift):

            Liefdesgedicht

            Jij hebt de dingen niet nodig
            om te kunnen zien

            De dingen hebben jou nodig
            om gezien te kunnen worden.



Ik zie een duif op de leuning van het bankje naast de wasserette. Ze trekt haar kopje diep in haar veren. Alsof het wel mooi is geweest voor vandaag. Ik herinner me het stel duiven dat ooit maanden op een tak in de tuin van mijn vader en moeder heeft gezeten. Eén duif zat er altijd als eerste, net als de duif op het bankje, haar nekje helemaal ingetrokken, de pootjes volledig onder het lijfje verstopt. De tweede kwam niet veel later aan gefladderd. Het was het moment waarop mijn moeder naast het raam dingen tegen me zei die ik niet helemaal begreep. Die hebben het beter getroffen, zei ze bijvoorbeeld. Of ze zei: Zoiets heb ik nooit moeten proberen, zo gezellig in een boom met zijn twee.



Ik wil gezellig met zijn twee op het bankje gaan zitten, maar dat kan ik beter laten. Bankjes in de zon zijn op dit moment (zo staat het in de krant) levensgevaarlijk. Ik wandel dus verder, weg van het bankje, ik loop er met een grote boog omheen, ik loop de straat uit, omdat ik niet langer wil blijven treuzelen, omdat ik aan de slag moet blijven, er moet iets gebeuren.



‘Blijf aan de slag als je niet wil dat het leven stopt.’ Dat zei een oude man ooit tegen me op de bus.



Bij de bushalte ben ik het wandelen moe. Dus daar sta ik ineens, te wachten, al weet ik zelf ook niet meteen op wie of wat. Ook buschauffeurs blijven vandaag gewoon liever binnen, op een anderhalve meter afstand van hun vrouw. Ik weet ook niet wat ik wel zou doen mocht er plots toch een bus aan komen rijden. Ik zou mijn hand kunnen opsteken en opstappen en me laten vervoeren, tot in het eerstvolgende dorp, de stad uit, verder weg van huis, maar omdat ik ook niet weet wat ik daar dan zou moeten, in zo’n bevroren dorp buiten de stad, besluit ik om naar huis terug te keren.



Ik zie mijn huis al in de verte, maar ik houd het hoofd koel. Ik adem een keer diep en ik denk: gedachten zijn maar gedachten. Ik denk: jij bent je gedachten niet.

Wouter Degreve (1986) geeft Franse les aan nieuwkomers in Brussel, waar hij ookwoont. In 2018 werd hij genomineerd voor de Deus Ex Machinaprijs voor het beste ultrakorte verhaal, en recent haalde hij met een van zijn verhalen de shortlist voor Sampler 2020 van Das Mag. Nieuw werk is binnenkort te lezen op Hard//hoofd. Hij studeert aan de Schrijversacademie en werkt momenteel aan zijn eerste roman.
 wouter.degreve


Lees ook:
Remise • Michaël Van Remoortere
Wat begon als een spel, werd al gauw een obsessie. Na tien dagen in lockdown was het huis gepoetst, de tuin zomerklaar gemaakt en alles wat we, sinds we in dit huis getrokken waren, weg hadden willen gooien naar de kelder verplaatst. 
Lees verder


Lees ook:
De thuiswerker • Jasmijn Lobik
Vandaag betrapte ik mezelf erop dat ik je mis. En dat is vreemd, want toen ik je nog iedere dag zag, besteedde ik nooit bijzonder veel aandacht aan je. Je liep mijn werkdagen in om negen uur en vertrok weer om half zes, net als de rest. Niets aan de hand. 
Lees verder